Column

China terug met de voeten op de grond

Wie is de meest beeldbepalende figuur van de twintigste eeuw? Het een aardige vraag om ieders perspectief op de wereldgeschiedenis te testen. Ongetwijfeld zullen veel Europeanen denken aan Stalin of Hitler, vanwege de Goelag en Auschwitz. Anderen zullen Franklin Delano Roosevelt noemen, vanwege zijn New Deal. Een kennis uit Singapore had een totaal ander perspectief. Hij noemde Deng Xiaoping. Die keuze lijkt in eerste instantie vooringenomen. Bij nader inzien is het echter een uitstekende keus. Toen Deng in 1978 begon met zijn economische hervormingen, bevond China zich in een deplorabele staat. De Culturele Revolutie was slechts de laatste stap in een langdurige neergang. Rond 1800 leverde China 20 procent van de wereldproductie, in 1978 was daar nog maar twee procent van over. Dengs hervormingen waren een spectaculair succes. In amper 30 jaar tijd heeft China een achterstand weggewerkt die in anderhalve eeuw was ontstaan. Anderhalf miljard mensen hebben de stap gezet van absolute armoede naar een middenklassebestaan, een prestatie waar 60 jaar ontwikkelingshulp niet op kan bogen. De Europese en Amerikaanse eeuw zijn voorbij. De Aziatische eeuw is aangebroken.

Deze historie is nuttige achtergrond voor een analyse van de economische crisis in China. Die komt niet als een verrassing. Hij lijkt als twee druppels water op wat zich 40 jaar eerder in Japan afpeelde, en in iets andere vorm ook in Zuid-Korea, en eerder in de Sovjet-Unie. Het verschijnsel staat bekend als het Lewis turning point, naar de Britse Nobelprijswinnaar Arthur Lewis. De snelle groei die deze landen doormaken is gebaseerd op drie pijlers: beter onderwijs, hoge investeringen, maar vooral urbanisatie. Ooit dachten economen dat alleen de landbouw écht productief was. Het omgekeerde is waar. De stad produceert in die landen veel meer dan het platteland. Urbanisatie is een groeimotor. Die groei stopt pas als het platteland leeg raakt, zoals nu in China. Lewis stelt dat een land met deze groeistrategie van pure armoede kan opklimmen tot 50 à 70 procent van het inkomen per hoofd in de VS en Nederland. Wil een land nog meer, dan moet het overstappen op een andere groeistrategie gebaseerd op consumptie en innovatie. In de jaren ‘70 keek iedere onderneming met angst en beven naar de prestaties van Japanse concurrenten. Rond 1980 beleefde Japan echter zijn Lewis turning point. Sindsdien is die angst verdwenen. Japan hobbelt op 70 procent van ons welvaartsniveau achter ons aan.

Snelle urbanisatie vereist hoge investeringen in huizen en infrastructuur, gefinancierd uit al even hoge besparingen, met het bankwezen als koppelaar. In de Sovjet-Unie werden die besparingen afgedwongen door het Planbureau, in het snel vergrijzende Japan en China zijn het vooral private besparingen. Zonder AOW en zonder publieke gezondheidszorg, en met slechts één kind ver weg in de grote stad om voor je te zorgen, is een appeltje voor de dorst noodzaak. De meeste landen consumeren 60 tot 70 cent van iedere verdiende euro. In China is dat maar 30 cent; de rest wordt gespaard. Zolang de urbanisatiemotor draaide, was er genoeg emplooi voor al die besparingen. Nu de urbanisatie begint te stokken, wordt het voor banken steeds moeilijker om goede investeringsprojecten te vinden. Meer dan genoeg projecten, maar wie garandeert dat het project rendeert en de lening wordt terugbetaald? Erger nog (het komt bekend voor): wie garandeert dat de bankdirecteur zich daar überhaupt zorgen over maakt? De oplossing is helder: China moet overstappen op een meer consumptiegedreven groeistrategie met adequate sociale voorzieningen. Dat is echter makkelijker gezegd dan gedaan, want die bankdirecteur, die denkt daar anders over.