Whiskeykleurige strijkers naast herfstige blazers

Net terug van vakantie speelt het Koninklijk Concertgebouworkest meteen een monumentale Brucknersymfonie. De Vijfde ook nog: met zijn reusachtige finale vol dubbelfuga’s is die symfonie een van de meest complexe romantische orkestwerken.

Dirigent Daniel Harding mag het orkest langs enkele internationale podia leiden alsook Sail en Lowlands. De jonge Brit geldt als gearriveerd, met een chef-dirigentschap van het Orchestre de Paris in het vizier, maar het is vaak afwachten wat een avond met Harding brengt. Des te verrassender was gisteravond in het Concertgebouw zijn uitgekristalliseerde visie op Bruckner: weinig vibrato, hoge tempi, een gecontroleerde opbouw. Het openingsdeel klonk transparant en eindigde beheerst, Harding wist hoeveel volume nog ging komen.

Veelzeggend was het wonderschone tweede thema van het Adagio: Harding zette dit non-vibrato aan met met een iets vollere streek, resulterend in een lichte maar doorleefde klank. Waar toch kaalheid dreigde, zorgde het orkest voor bezieling, met whiskeykleurige strijkers en herfstroodgloeiende koperblazers.

Een liefdevol en detailrijk vertolkt Scherzo kon het repetitieve gehalte niet verdoezelen. Maar de beruchte finale was overrompelend snel en goed gearticuleerd, met scherpe cellosteekjes die het glorieus opzwellende orkestlichaam de weg wezen.