‘We hadden er al kunnen zijn, maar je durfde niet. Watje’

Arnon Grunberg rijdt deze zomer met voormalig asielzoeker Qader Shafiq van Nijmegen naar Kabul voor familiebezoek. Grunberg doet er dagelijks verslag van.

Op een Joodse begraafplaats in Buchara – ooit leefden er tienduizenden Joden in deze stad, nu zijn er nog ruim vierhonderd over – komen we Yakov tegen. Hij woont tegenwoordig in Queens, New York, maar spreekt amper Engels en is teruggekeerd naar Buchara om graven te verzorgen.

Als we Yakov vragen waarom hij naar New York is verhuisd, of er moeilijkheden waren in Buchara, lijkt hij terughoudend, misschien zelfs bang te worden. „Nee”, zegt hij, „de inwoners van Buchara zijn fantastisch.” Hij werpt een handkus toe, die zowel voor ons als de inwoners van de stad bedoeld kan zijn, dan verdwijnt hij.

Anders dan op andere Joodse begraafplaatsen zijn sommige graven versierd met foto’s van de overledenen. Op het graf van een man hangt een tekening van een Volga, een auto uit de Sovjet-Unie. Misschien droomde hij van een auto uit het Westen en tegen de tijd dat dat kon, dacht hij: nee, nu houd ik te veel van mijn Volga.

Die avond, voor ons doen vroeg, bereiken we Samarkand, een stad die eveneens op de zogeheten Zijderoute ligt. Samarkand valt tegen. Drukker, toeristischer, en pompeuzer dan Buchara.

De Afghaanse grens is niet ver meer, maar we hebben besloten eerst naar Tadzjikistan te gaan.

Als we de volgende dag doorreizen naar Tasjkent, de hoofdstad van Oezbekistan, waar we melkpoeder moeten afgeven bij kennissen, zegt reisgenoot Qader fel: „We hadden al in Afghanistan kunnen zijn, maar je durfde niet. Watje!”

„Nou ja”, zeg ik, „watje. De Afghaanse ambassade wilde me geen visum geven als we over land zouden gaan.”

„Je hebt een visum, weten zij hoe je het land binnenkomt. Ik ben in 1992 via Mazar-i-Sharif gevlucht, ik wilde via Mazar-i-Sharif terugkomen. Wat kunnen mij Rusland en de voormalige Sovjet-Unierepublieken schelen? Afghanistan, daar ging het om. Dat land is vertrapt. Door jullie. Pakistan en Saoedi-Arabië zijn de grote sponsors van het politieke islamisme en dat zijn westerse bondgenoten. Denk je dat die Nederlandse soldaten die in Afghanistan zijn gevallen voor iets gesneuveld zijn? Voor niets.”

„Ik denk dat ze voor niets gesneuveld zijn”, zeg ik na een tijdje. Ook merk ik dat deze reis pijnlijk begint te worden. Pijnlijk omdat Qader pijn heeft. Hoe dichter we bij Afghanistan komen, hoe minder die pijn zich laat verbloemen. Maar ook omdat ik mezelf op pijn betrap. Een gevoel van ontheemdheid, dat ik altijd prettig vond, begint te schuren.

Wordt vervolgd