Column

Op ’n mooie dag (2)

Van lanterfantende columnist tot hardwerkende huisman – ziehier de persoonlijke ontwikkeling die ik tijdens mijn vakantie doormaakte na de enkelbreuk van mijn vrouw. Het was even wennen, maar ik moet toegeven dat ik er veel van heb geleerd.

Ik weet nu hoe je een kleefborstel moet aftrekken: bovenaan een puntje opzoeken en dan rustig het papier afwikkelen terwijl je de borstel draait. De kleefborstel kreunt nu van genot als ik het doe – vroeger verzette hij zich bits tegen mijn getrek en gesjor.

Ook begrijp ik beter dan vroeger dat het verschonen van een kattenbak niet iets is wat je er zomaar even bij doet tussen het lezen van de krant en het bedienen van de magnetron. Het vereist rust en inzicht. Niet met grove halen van het schepje door het grit woelen, want daarmee bevuil je meteen de héle bak, nee, eerst zorgvuldig omtrekkende bewegingen maken rond de hardgeworden pisbult en pas dan het zaakje uitgraven.

Het lijken triviale bezigheden, maar ze veraangenamen je bestaan als je ze écht onder de knie hebt.

Stofzuigen? We kunnen het allemaal, maar efficiënt stofzuigen is nog even andere koek. Ik ben geneigd lastig toegankelijke hoeken te mijden en bochten af te snijden, maar als je vrouw revaliderend – been op bankje – vanuit de leunstoel kritisch toeziet, kun je dat beter laten. En vergeet ook vooral niet om met een nat doekje na te zwabberen. Ik had er wel aan gedacht, maar maakte de bijna onvergeeflijke fout om dwars door het zojuist bevochtigde gebied van het parket te lopen. Eerst jij die kamer uit, dan de zwabber!

Het zijn existentiële waarheden en het is goed om er af en toe aan herinnerd te worden.

Het leerproces strekte zich tot ver voorbij mijn voordeur uit. „Wilt u restozegels?”, vroeg de caissière bij Albert Heijn me. Ik schudde heftig het hoofd, maar wist niet waar ze het over had. Bij de bakker vroeg ik om een ‘volkoren knip’, waarop het winkelmeisje zei: „Vanan?” – of iets dergelijks. „Wat zegt u?”, vroeg ik. En wéér verstond ik het niet. „Doet u maar”, zei ik berustend, want je wilt niet uit de toon vallen in zo’n winkel. „Ze heeft vermoedelijk ‘pannen’ gezegd”, zei mijn vrouw later. We haalden de Van Dale erbij, en inderdaad: pannenbrood is brood dat in een pan of vorm is gebakken.

Ach, ik ontdekte zoveel. Op mijn dagelijkse wandelingen kom ik soms langs huizen waar uit een raam een merkwaardig slurfje van kunststof steekt. Er komt niets zichtbaars uit, het hangt er maar sullig te hangen. Ik heb nooit geweten waartoe het diende. Je kunt moeilijk aanbellen en vragen: „Dat slurfje, mevrouw, waar is dat voor nodig?”

Thuis wijdde mijn vrouw me in de diepste geheimen van de wasmachine in. Ze liet me het waterreservoir van de droger legen en vertelde erbij: „Mensen die zo’n reservoir niet hebben, laten het water uit hun droger via zo’n geribbelde slang buiten verdampen.” „Zo’n slurfje?”, vroeg ik extatisch.

Zo kan ik nog wel even doorgaan over de vaardigheden en kennis die ik me de afgelopen weken heb eigen gemaakt. Wat ’n nuttige vakantie! Alleen met het spannen van die verdomde, te krappe vuilniszak om de rand van de vuilnisbak worstel ik nog steeds. En koken zal ik pas goed leren als ik wat meer tijd krijg – laten we zeggen de tijd die er staat voor de genezing van een gecompliceerde beenbreuk. Volgend jaar misschien?