Lezen in het hart van Europa: het Boedapest van György Faludy

Deze zomer legt historicus en medewerker van NRC Boeken Arnout le Clercq met een literaire reis de ziel van Midden-Europa bloot. In aflevering 5: het Boedapest van György Faludy.

Weinig schrijvers weten een belangrijk deel van de Hongaarse geschiedenis even angstaanjagend als smeuïg te vatten als schrijver en dichter György Faludy (1910-2006). Zijn belevenissen tussen 1938 en 1956 heeft hij neergepend in zijn gedramatiseerde autobiografie Mijn geluksdagen in de hel. ‘Mijn nieuwsgierigheid is altijd sterker geweest dan mijn angsten, en mijn beroep vereiste het najagen van avontuur, ongeacht de gevolgen.’

Toen de nazi’s in 1938 Tsjechoslowakije bezetten, vluchtte Faludy met een aantal vrienden naar Parijs. De opmars van het Duitse leger dwong hen in 1940 naar Noord-Afrika uit te wijken. Tussen het vluchten door beleeft de dichter verschillende seksuele avonturen, en na een laatste vlucht naar de Verenigde Staten dient hij in het Amerikaanse leger. Aan het einde van de oorlog weerhouden de waarschuwingen van zijn vrienden hem er niet van terug te keren naar Hongarije. Zijn heimwee is sterker, en hij ‘hoopte dat het communisme in staat zou zijn om een soort sociale rechtvaardigheid te creëren voorbij de krachten van het kapitalisme. Het was echter niet zozeer de uitkomst van het conflict dat me interesseerde, maar het conflict zelf.’
In het communistische Hongarije wordt hij uiteindelijk gearresteerd, gemarteld en naar een werkkamp gestuurd, dat hij als een van de weinigen overleefd.

Mijn geluksdagen in de hel bevat een verrassende actualiteit, nu de bewogen geschiedenis van Hongarije volop in de politieke schijnwerpers staat. Aan de oever van de Donau ligt het Hongaarse parlement, met op een steenworp afstand het Vrijheidsplein. Hier werd in juli 2014 op initiatief van de regering van Viktor Orbán een monument voltooid dat nog steeds controversieel is. Men ziet een groteske adelaar die met open klauwen neerdaalt op de aartsengel Gabriël, de beschermheilige van Hongarije. Aan de rechterpoot van de roofvogel zit een ring met daarop ‘1944’, refererend aan het jaartal dat nazi-Duitsland haar voormalige bondgenoot Hongarije bezette. De boodschap is duidelijk: Hongarije was de schuldeloze prooi van de nazi’s. De implicatie dat Hongarije tijdens de oorlog louter een slachtoffer was en geen dader, zet echter kwaad bloed bij zowel de joodse gemeenschap als bij veel Hongaren.

Geschiedvervalsing

Verscheidene mensen noemen het geschiedvervalsing, waaronder Benjámin Novák, journalist bij het online medium Budapest Beacon, dat vaak felle kritiek uit op de Hongaarse regering. „Deze interpretatie is eenzijdig en negeert een belangrijk deel van de geschiedenis”, zegt hij. Het autoritaire regime in Hongarije dat het land sinds 1919 regeerde was een bondgenoot van nazi-Duitsland. Voor de Duitse inval vonden er al deportaties van joden plaats op het platteland. De misdaden tegen de joodse gemeenschap namen veel extremere vormen aan vanaf 1944, waaronder grootschalige deportaties naar Auschwitz, maar dit was zeker niet het begin. Antisemitisme was ook al aanwezig voor de oorlog: een van Faludy’s jeugdherinneringen is de mishandeling en castratie van een joodse winkelier door Hongaarse militietroepen.

Er schuilt meer achter het monument dan het benadrukken van het Hongaarse slachtofferschap, zegt Novák. „Het speelt in op nationalistische sentimenten, maar het fungeert daarnaast als afleiding van echte politieke issues. Het is geen toeval dat dit monument werd neergezet toen er een controversieel verdrag met Rusland werd gesloten over kernenergie. Dit wil echter niet zeggen dat Orbán en de zijnen niet geloven in deze retoriek. Het blijft een verkeerde voorstelling van zaken.” Naast bezwaren tegen de boodschap, is er ook esthetische kritiek op het monument. „Het is spuuglelijk”, aldus Novák.

Tegenmonument

Spoedig na het verschijnen van de adelaar en de engel, werd er een tegenmonument opgericht. Kiezelstenen bootsen een rivieroever na, met daarbij koffers, foto’s, joodse boeken en schoenen. De schoenen zijn een verwijzing naar het monument dat verderop aan de Donau ligt. Bronzen schoenen langs de rivierkade herinneren aan de gebeurtenissen van januari 1945. Toen de Russen de stad naderden, ontruimden de Pijlkruizers (Hongaarse fascisten) het joodse getto in Boedapest, leidden hun slachtoffers naar de Donau en dwongen hen om daar hun schoenen uit te trekken. Hierna werden ze doodgeschoten, de lichamen in de rivier gedumpt. Faludy’s zus was een van hen. De bronzen schoenen vormen in al hun eenvoud een indrukwekkend gedenkteken.

Het benadrukken van het Hongaarse daderschap heeft door de communistische periode, met name vlak na de oorlog, een nare bijsmaak. Voor de Russen waren alle Hongaren fascisten, eenvoudigweg omdat ze hadden gecollaboreerd met nazi-Duitsland. Faludy ondervond dit vooroordeel aan den lijve op het moment dat hij terugkeerde naar Hongarije en werd uitgemaakt voor fascist door de grenswacht. Dat hij een sociaal-democraat was, maakte niets uit; en binnen de nieuwe context van de Koude Oorlog werd het feit dat hij voor de Amerikanen had gevochten tegen hem gebruikt. „Hongarije was nu eenmaal slachtoffer en dader tegelijkertijd, niet het een of het ander”, zegt Novák.

Mijn geluksdagen in de hel is boven alles een verhaal van overleven onder totalitaire regimes. Faludy’s scherpe observaties tonen de lezer daarnaast een complexer, maar nauwkeuriger beeld van het Hongaarse verleden. Dit maakt zijn autobiografie een werk dat iedere zwart-wit benadering overstijgt.