Kabinet laat zich door VN geen racisme aanpraten

Schooluitval, Zwarte Piet en opsluiting van kinderen van asielzoekers. Nederland heeft wat uit te leggen bij de VN.

„Etnisch profileren” door de politie staat op de agenda. „Racistische ressentimenten, veroorzaakt door politici en media” ook. De relatief hoge schooluitval van leerlingen van Marokkaanse en Antilliaanse origine. Detentie van asielzoekers, inclusief minderjarige kinderen. En Zwarte Piet, waarmee „een negatief stereotype van mensen van Afrikaanse afkomst wordt overgedragen”.

Het is misschien geen strafbankje, waar Nederland vandaag op plaatsneemt, bij de Verenigde Naties in Genève, maar het zijn ook niet de gemakkelijkste onderwerpen die ter sprake komen bij de reguliere bespreking van het anti-discriminatiebeleid.

Om de vier jaar moeten de staten die het ‘Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie’ hebben getekend – en dat zijn zo’n beetje alle landen van de wereld, behalve Noord-Korea en Birma – zich tegenover een commissie van de VN verantwoorden. Gisteren was Noorwegen aan de beurt. Vorige week Tsjechië, Macedonië en Suriname. En vandaag en morgen Nederland.

Uitgangspunt bij de gesprekken zijn rapportages van de VN en van Nederland zelf. In die Nederlandse rapportage, opgesteld in 2013, verwijst het kabinet naar een heleboel actieplannen en andere maatregelen, zoals het handboek Succesvolle Diversiteitsinterventies voor managers.

Maar het kabinet laat zich geen discriminatie aanpraten. Op de suggestie van het „aanwakkeren van racistische ressentimenten” antwoordt het kabinet eerst dat de vrijheid van meningsuiting stevig verankerd moet zijn. Vervolgens wijst de rapporteur erop dat PVV-leider Geert Wilders in het proces over Fitna is vrijgesproken. Aangezien dit rapport uit 2013 komt, is er nog geen verwijzing naar het „minder, minder, minder Marokkanen” dat hij zijn aanhang maart vorig jaar liet scanderen. Ongetwijfeld komt het wel aan de orde in de gesprekken.

Ook waar het gaat om discriminatie op de arbeidsmarkt – een onderwerp waarover het Sociaal en Cultureel Planbureau vorig jaar een kritisch rapport uitbracht: een kwart van de Nederlanders had in het afgelopen jaar discriminatie ervaren – is het kabinet stellig: „Onderzoeken en discriminatie-monitors tonen aan dat de achterstand van niet-Westerse migranten op de arbeidsmarkt, niet alleen kan worden toegeschreven aan discriminatie, maar ook verband houdt met factoren als het ontbreken van de juiste kwalificaties, onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal en een gebrek aan sociale vaardigheden.” Conclusie: „Nederland is van mening dat alle werklozen hun verantwoordelijkheid moeten nemen om deel te nemen aan de arbeidsmarkt.”

De verantwoordelijkheid voor het diversiteitsbeleid ligt volgens dit rapport in de eerste plaats bij sociale partners, vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers. En voor hen is die verantwoordelijkheid ook nog voorwaardelijk: „De inspanningen zullen worden bepaald door economische vooruitzichten.”

De sessies van deze twee dagen worden voorgezeten door een commissie uit de staf van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten. Die is niet te verwarren met de werkgroep die vorige zomer Nederland bezocht na meldingen van racisme en discriminatie door Nederlandse activisten en organisaties. Die werkgroep, waarin onder meer de Jamaicaanse hoogleraar Verene Shepherd zit, is een gelegenheidsgezelschap van weer kleinere werkgroepjes en die hadden een meer op racisme dan op discriminatie toegesneden agenda. Shepherd was een half jaar eerder berucht geworden toen ze tegenover EenVandaag verklaarde dat Zwarte Piet „een terugkeer naar de slavernij betekende” en dat het Sinterklaasfeest niet in zijn huidige vorm kan doorgaan. Het rapport waar deze werkgroep sindsdien aan werkt, moet nog worden uitgebracht.