Indianentooi

Afgelopen zomer zaten ineens veel meer nijlganzen (Alopochen aegyptiaca) in de Ringvaartplas in de Rotterdamse wijk Prinsenland. Ik kom er elk weekend langs op weg naar de supermarkt en besloot de boodschappen te combineren met veldonderzoek.

Begin juli zaten er vijftig, een maand later bijna tweehonderd, en afgelopen weekend was het aantal weer gehalveerd.

De reden van deze samenscholing is de rui. De ganzen verliezen in rap tempo alle vleugelveren en kunnen dan ongeveer een maand niet vliegen, totdat de nieuwe pennen weer uitgegroeid zijn. Oevers en wegbermen liggen bezaaid met veren.

Na het telwerk verzamel ik elke week de nieuwe oogst. De zwarte – lang en smal – zijn de handpennen die de vleugelpunt vormen. De brede groene veren zijn de armpennen en de kastanjebruine veren liggen het dichtst tegen de rug. De dekveren vormen een wit veld op de voorvleugel en hebben elk een subtiel zwart dwarsbandje. Er lijkt een volgorde in het afwerpen van de verschillende veertypen te zitten.

Om het ruipatroon verder te ontrafelen, loop ik nog een rondje om de plas. Als ik een paar mooie veren opraap, zegt een voorbijganger begripvol: „Een indianentooi aan het maken?”