Een zomerkamp, maar dan ook met pubers uit de brandhaarden

Een christelijke groepering wil jonge vluchtelingen welkom heten in Nederland. Met bijbelstudie.

Asielzoekers en Nederlandse kinderen zijn samen op zomervakantiekamp in Lunteren. Het kamp wordt georganiseerd door de Stichting Gave, een interkerkelijke organisatie. Gave organiseert christelijke kinder- en jeugdkampen en doet evangelisatiewerk onder asielzoekers. Foto Merlin Daleman

Voor de zieken, voor de armen

Voor de mensen met verdriet

Voor het kind dat blijft proberen maar toch denkt: het lukt me niet

Voor de zwerver die moet zwerven

En geen plek heeft waar hij hoort

Is er altijd nog die Ene en die roept: kom maar aan boord!

Zowat alle kinderen op het zomerkamp in het Gelderse Lunteren zingen mee met de twee jongens die het lied op de gitaar begeleiden. Net hiervoor hebben ze ook al een dankliedje gezongen voor de lunch: Amen, amen, amen. Ook degenen die toevallig in die andere Ene geloven.

Op deze zomerkampweek, georganiseerd door de interkerkelijke stichting Gave, zijn ongeveer tien van de 32 deelnemers moslim. Iets meer dan de helft van de tieners woont in een asielzoekerscentrum, de anderen zijn Nederlands. Stichting Gave maakt er werk van om vluchtelingen en asielzoekers in Nederland „gastvrij” te ontvangen, zoals het hoort volgens de bijbelse roeping, en organiseert de kampen jaarlijks.

Doel is om elkaar en God beter te leren kennen, zegt Lianne Portier, de leidster van het begeleidingsteam. „We willen iets van Gods liefde laten zien aan de kinderen die zoveel naars hebben meegemaakt. Laten zien dat ze waardevol zijn. Ik vertrouw erop dat God ook met deze jongeren een plan heeft.”

De pubers komen uit de brandhaarden van de wereld, zegt ze: uit Syrië en Irak, maar ook uit Nigeria, Armenië en Azerbajdzjan. Afgelopen zomer kwam in het nieuws dat in Nederlandse asielzoekerscentra spanningen bestaan tussen christenen en moslims. Door de hoge instroom van vooral moslims uit Syrië, zou in de asielzoekerscentra een sterk homogene moslimgroep ontstaan en een groepsdruk om als ‘goede moslim’ te leven.

Gematigde moslims en andere minderheden zoals christenen en Yezidi’s hadden het gevoel dat hun vrijheden werden ingeperkt, signaleerde stichting Gave begin deze zomer in een persbericht: „De moslimmeerderheid lijkt ruimte en rechten te claimen die tegen de regels van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers ingaan.”

Hier valt van zulke spanningen niets te merken. De kinderen keten onderling, spatten elkaar tijdens de spelletjes nat met flesjes water en delen snoep. In de ochtend hebben ze twee uur bijbelstudie, in groepjes van vijf of zes bespreken ze elke dag een thema uit de Bijbel. Vandaag stonden delen uit het Bijbelboek Matteüs centraal, over hoe Jezus de mensen leert bidden. Ook nuttig voor moslims.

Er zijn veel begeleiders: zestien man en vrouw op 32 kinderen. Dat is nodig, zegt Portier: de kinderen hebben aandacht en sturing nodig. Sommige begeleiders hebben kinderen die ze uit asielzoekerscentra kennen, uitgenodigd om naar het kamp te komen. In de kerken in de buurt van de asielzoekerscentra organiseren de vrijwilligers tweewekelijks ‘meiden- en jongensclubs’, om met elkaar te kletsen en bijbelstudie te doen.

De meeste kinderen op het kamp zijn niet, zoals in de asielzoekerscentra nu wel het geval is, van Syrische afkomst. Syriërs krijgen namelijk relatief snel een verblijfsvergunning en stromen dus sneller door naar een eigen huis. De asielkinderen hier spreken allemaal Nederlands. Ze wonen soms al jaren in een asielzoekerscentrum. Soms wonen ze ook in een gezinslocatie die voor uitzetting bedoeld is – hun asielaanvraag is afgewezen. Maar de stichting maakt bewust geen onderscheid tussen kinderen met en zonder verblijfsstatus. Ze zijn nu eenmaal hier, dus willen de begeleiders iets voor hen betekenen.

De Nederlandse kinderen vinden het „leuk” en „leerzaam” om met kinderen uit andere landen op te trekken. Gisteren bijvoorbeeld, werden ze een beetje uitgelachen toen ze in de winkel voor het goedkoopste snoep kozen. Typisch Nederlands vinden de anderen zoiets. Over wat de asielkinderen aan narigheid hebben meegemaakt, praten ze niet echt. Dat is zo persoonlijk, zegt Annelies (17). „Ik wil het natuurlijk best weten, maar ga er echt niet naar vragen.”

Eerder dan spanningen rond het geloof speelt onderling of iemand al een vergunning heeft. Twee Armeense meisjes van een jaar of twaalf roepen op het voetbalveldje de enige Syrische jongen van het kamp erbij. Ja, hij is nog maar acht maanden hier en spreekt écht al goed Nederlands. Knap, vinden ze. Maar één van hen moppert er achteraan: „Toch is het niet eerlijk. Hij heeft nú al een huis en ik woon al twee jáár in een azc.”