Wij vonden dat we moesten helpen

Nederlandse vrijwilligers staan pas aangekomen bootvluchtelingen bij op een Grieks eiland.

Anja Koevoet helpt net aangekomen bootvluchtelingen op Lesbos. Meer dan 120.000 mensen volgden dit jaar al de route vanuit Turkije naar Griekenland. Foto ACHILLEAS ZAVALLIS / AFP

Om zes uur in de ochtend staan drie vrouwen op een rots langs de kust van Lesbos. Met een verrekijker scannen ze links en rechts dit kleine deel van de Egeïsche Zee. Vanaf het Griekse eiland kijken ze uit op de Turkse kust, zeven kilometer verderop. De zon glinstert op het water.

„Dat zwarte puntje daar, is dat een vissersboot of zijn dat vluchtelingen”, vraagt Annemarie Joosten (39). Ze is hier als vrijwillige hulpverlener, in het dagelijks leven is ze zzp’er. „Nee, er zitten maar een paar mensen op, het zijn vissers”, antwoordt psychologe Annemarie Dijs (35).

Samen met Anja Koevoet (33), afgestudeerd als logopedist, werken de vrouwen nu als vrijwilliger op het eiland. „We zijn the A-team”, zeggen ze lachend. Ze ontvangen de vluchtelingen, rijden hen naar bushaltes en geven water en speelgoed. Er zijn dagen dat er wel 22 boten aankomen. De afgelopen weken hebben Koevoet en Dijs meer dan duizend Syrische, Afghaanse en Irakese vluchtelingen geholpen.

Zondagochtend lijkt het even rustig, maar om acht uur slaat dat om. „Ik zie er één, we moeten snel die kant uit”, zegt de Brit Eric Kempson. De vrijwilligers stappen in vier auto’s en rijden de kustlijn af. Om de twintig meter liggen daar lek gestoken rubberbootjes, door de opvarenden zelf, weet Koevoet, „omdat ze bang zijn dat de kustwacht ze terugstuurt”. Vanuit de verte vaart een zwarte boot met hoge snelheid richting de kust. Dijs zwaait naar de boot. „Come this way, come here!” Nog geen twintig seconden later landt de boot op het strandje. Zo’n 75 Afghanen komen joelend aan. Paniekerig springen de mannen in het water. Baby’s worden aangereikt aan de vrijwilligers. Een groep jonge jongens springt uit de boot en rent meteen door, de berg op.

Buitenboordmotor

Kempson, die al zeventien jaar op Lesbos woont en dit sinds februari iedere dag doet, roept de jongens terug en vertelt ze waar ze de bus naar de hoofdstad van het eiland kunnen pakken. Joosten start de auto en rijdt de eerste groep vluchtelingen die kant op. Twee mannen die komen aanrijden, hebben het voorzien op de buitenboordmotor. Ze gooien hem snel in hun achterbak en rijden weg.

Dijs blijft achter met een groot gezin. Omdat ze niet in de auto passen willen ze met z’n allen lopen. Ze legt uit dat het gevaarlijk is, acht kilometer lopen in de zon – nu, om acht uur ’s ochtends, is het al heet. Ze biedt aan om de vrouwen en kinderen naar de bushalte te rijden. Nee, zegt Habib (22), die goed Engels spreekt. „We blijven bij elkaar. Wat als de politie een van ons pakt?”

Habib vraagt aan de verslaggever, zonder dat anderen het horen: „Weet u zeker dat deze mensen ons willen helpen?” Sinds ze een maand geleden vertrokken uit Kabul, hebben Iraniërs pistolen op hen gericht, in Turkije zijn ze lastiggevallen op straat en de Bulgaarse politie heeft hun telefoons gestolen en ze teruggestuurd, vertelt Habib. Ze konden niet geloven dat deze mensen hier op hen stonden te wachten om hen te helpen. Vrijwillig.

De afgelopen maand zijn al twintig vrijwilligers via de Stichting Hulpactie Bootvluchtelingen op Kos en Lesbos geweest om de vluchtelingen op te vangen: ticket, hotel, eten, alles op eigen kosten. De meesten hebben een christelijke achtergrond.

Koevoet en Dijs, vriendinnen uit de Gelderse Bommelerwaard, ook. Ze kennen elkaar van de New Wine-conferentie, een jaarlijkse bijeenkomst van christenen. Twee weken terug was de laatste, in Biddinghuizen, er werd gesproken over vluchtelingen. Ze werden geraakt door een toespraak van Oegandese predikant. „Ik had er wel over nagedacht, maar hij raakte mij in m’n hart”, zegt Koevoet. Ze zijn hier nu een week. Vrienden en familie stuurden tachtig kilo aan speelgoed en schoenen mee.

Vrouwen en kinderen met auto

Gisteren, kort na aankomst van de Afghaanse boot, overtuigt Dijs de mannen toch te gaan lopen en de vrouwen en kinderen per auto te laten gaan. Samen met Habib (22) en zijn broer Iskander (28) uit Kabul loopt ze drie kilometer door de bergen, ze dragen de rugzakken van de familie. Onderweg krijgt ze een miljoen vragen. Moeten we naar Nederland gaan? Kunnen we in Athene onze neef in Duitsland bellen en vragen of hij ons ophaalt?

Koevoet: „Iedereen komt vrolijk aan. Ze zijn blij dat ze de tocht hebben overleefd. Vooral met de mensen die Engels spreken voel je geen afstand. Je ziet die mensen en denkt: oké, niet iedereen kan in een villa wonen, maar waarom kunnen we geen basisbehoeften regelen voor deze mensen?”

Koevoet vindt het jammer dat er niet méér vrijwilligers zijn. „Vrijdag kwamen er op diverse plekken tegelijk boten aan, ik ging in mijn eentje naar een boot met vijftig mensen, veel kinderen. De boot liep vol water. Acht mensen van de pers stonden van een afstandje te kijken, ze deden niets. Gelukkig liep het goed af. Toen ik het strand op liep moest ik wel huilen. Toen kwam er een Syrische vrouw naar me toe, ook rond de dertig. ‘Waarom huil je?’, zei ze. Ze sloeg haar armen om me heen. Toen hebben we daar samen even heel hard gehuild.”