Qader zegt: ‘Je bent een Amerikaan, je bent een ideologische vijand’

Arnon Grunberg rijdt deze zomer met voormalig asielzoeker Qader Shafiq van Nijmegen naar Kabul voor familiebezoek. Grunberg doet er dagelijks verslag van.

Na Kazachstan verloopt het avondeten volgens een vast ritueel. Als we aankomen, vaak rond middernacht – we hebben haast om Kabul tijdig te bereiken – bestellen we een fles wodka, reisgenoot Qader vraagt om een pak granaatappelsap, ik drink perziksap bij de wodka.

Qader zegt dat de wodka geen medicijn is tegen de heimwee, maar dat je zonder wodka ’s nachts in je slaap doorrijdt.

In Buchara, een belangrijke stad op de zogeheten zijderoute, een stad waarover Qader zegt: „Hier liggen mijn wortels”, verloopt het ritueel anders.

De gemoedelijkheid – ik heb al dagen het idee dat Qader en ik eigenlijk een getrouwd stel zijn – slaat om in irritatie.

Zittend op een terras aan een vijver met een fontein legt Qader uit dat de talibaan en IS creaties zijn van het westen en als ik antwoord dat dat ten dele waar is, maar dat zijn verklaringen wat simpel zijn, zegt hij: „Je bent een Amerikaan, je bent een ideologische vijand.”

Ook de rol van ideologische vijand wil ik aannemen; juist in die rol kan ik mildheid betrachten.

Toen we die middag probeerden te tanken, kregen we bij een benzinestation te horen dat vier kilometer verderop een witte auto op ons zou wachten die we moesten volgen.

De chauffeur van de auto had benzine voor ons.

Waarom de aanschaf van benzine hier schijnbaar clandestien is, is nog niet duidelijk.

Na vier kilometer stond inderdaad een witte auto.

We volgden hem naar een boerderij, waar kippen en schapen rondliepen en vrouwen op de grond tomaten aan het inmaken waren. De ideologische vijand vond het prachtig.

Zittend op het terras in Buchara spoelt de wodka alle benzine weg. Ik denk aan een regel uit een gedicht van Nolens dat een vriendin me stuurde: „Je zucht naar avontuur? Nieuwsgierig verdriet.”

De volgende ochtend blijkt Qader geveld te zijn door een kater. De auto slijt en wij slijten mee. Ik stel voor dat we een rustdag inlassen.

Overal ontwaart Qader geheime agenten. Misschien heeft hij gelijk, Oezbekistan is een politiestaat. Toen we de stad binnenreden, werd ons nummerbord in een schrift genoteerd.

„Eigenlijk,” zegt Qader, „denk ik dat jij majoor bent voor een Nederlandse veiligheidsdienst.”

Zou een spion last hebben van nieuwsgierig verdriet?

Buchara is een prachtige stad. Lopend door de hete, stoffige stegen zegt Qader: „Je verspreidt licht, maar je kost ook veel energie. Je bent slecht voor het milieu.”

Wordt vervolgd