Column

Op ’n mooie dag

Helaas moet ik het nieuwe seizoen beginnen met een niet onbelangrijke rectificatie. Op deze plek stond de afgelopen weken regelmatig te lezen dat ik met vakantie was. Het spijt me voor de redactie, maar deze mededeling was grotendeels onjuist. Alleen de eerste week had ik vakantie, daarna brak een hel los die moeilijk met het begrip vakantie te verenigen is; ik heb nog nooit zo hard gewerkt.

Om me nader te verklaren moet ik terugkeren naar het begin van de tweede week van die zogenaamde vakantie. Het gebeurde op een zonnige zondag in juli, zo’n dag waarop er geen vuiltje aan de blauwe lucht is en het ook ondenkbaar lijkt dat zoiets zich die dag nog zal manifesteren. Het leven was goed en vredig, de bloemen bloeiden, de bijtjes zoemden en de leeuwerik zong zijn vrolijkste lied, zoals hij altijd doet als hij mij ziet.

Ik liep met mijn vrouw aan de rand van de Bergpolder in Bergen (Noord-Holland) op een stukje grasland, toen ze zich plotseling verstapte en uitgleed over een onaanzienlijk polletje. Ik kon met een vlugge armbeweging nog net voorkomen dat ze als een aangeschoten vogel neerstortte. Ze slaakte een kreet van pijn.

De enige getuige was een vrouw van onze leeftijd die in dit stille stukje van de natuur haar hondje uitliet. „Kan ik helpen?” vroeg ze.

Mijn vrouw vermande zich – ze komt nu eenmaal uit een sterk geslacht van Brabantse vermanners. „Het gaat wel”, zuchtte ze, „ik denk dat ik mijn enkel heb verstuikt.”

Toen we even later op een bankje zaten, zei ze: „Het zal wel verbeelding zijn, maar het was net of ik iets hoorde knappen.’’

Voorlopig hielden we het op een fikse verstuiking, op zo’n mooie dag wil je niet meteen aan ergere dingen denken. „Zal ik een taxi bestellen?’’ vroeg ik nog wel, maar het leek haar niet nodig - het was toch niet zo ver naar het dorp? Voorzichtig liepen we terug. Het ging moeizaam, maar de pijn was te verdragen.

In een opwelling van onverantwoord optimisme besloten we zelfs nog door te lopen naar Loetje, een restaurant dat ons bekend was uit Amsterdam en tegenwoordig ook floreert in Bergen. Het is befaamd om zijn biefstuk, maar zijn tong mag er ook zijn; we lieten het ons smaken alsof er in geen velden of wegen een verstuikte enkel viel te bekennen.

Maar na elk diner komt er een moment waarop je moet opstaan – en dat wilde bij mijn vrouw opeens niet meer.

Op haar enkel was een vlezige tennisbal verrezen, ogenschijnlijk malser dan Loetje zijn biefstukken kan bakken. Ze verbeet de pijn en strompelde door het restaurant als een klant die duidelijk te veel had gedronken – er keek dan ook niemand op – maar eenmaal buiten zeeg ze hulpeloos neer op het terras. Twee mannen snelden toe en ontfermden zich over haar terwijl ik medische hulp ging zoeken.

Die bleek op zondagavond niet in Bergen te vinden. Toeristen die op zondag graag ziek willen worden of desnoods dood willen gaan: doe het niet in Bergen. Voor Eerste Hulp moesten we per taxi naar Alkmaar. Daar keek de dienstdoende arts een minuutje peinzend naar de enkel zonder hem aan te raken. Toen stuurde hij ons voor nader onderzoek door naar het ziekenhuis van Alkmaar.

Ik moet en kan het kort houden: foto, diagnose (‘enkelbreuk’), gips. Toen mochten we weg. Mijn vrouw in de rolstoel, ik erachter. Er ging een nieuwe wereld voor mij open.

Wordt met enige smart vervolgd.