Liefste Wim, de baby lijkt echt op jou’

Journalist Sandra Heerma van Voss leerde haar oma pas echt kennen toen ze de dagboeken las die zij schreef in Jappenkamp Ambarawa 6.

Honderden tekeningen maakt illustrator en tekenaar Jan Kickhefer ('Kick') van kamp Ambarawa 6 op Java, waar zijn vrouw en dochter geïnterneerd waren tijdens de oorlog. Na de oorlog voegde Kickhefer zich bij hen en tekende het leven in het voormalige kamp. Op deze tekening is de bocht in de 'grote weg' van Ambarawa te zien. Rechts de galerij van de barak waarin de ziekenzaal was gevestigd. Collectie Museon

Met oma kun je lachen. Logeren bij opa en oma Flipje, vernoemd naar hun bruine hond, betekent voor mijn zusje Laura en mij een marathon van lol en lekkers. Koekjes, bonbons, witbrood met Betuwejam. Borduren met oma’s naaidoos van Javaans houtsnijwerk. ‘Grova…’ zingt ze zo’n zeven keer per dag, als het weer tijd wordt voor ‘een hapje’ of ‘een teugje’ - en daar gaat hij al. Oma zit en laat het zich smaken, opa reddert. Zijn wraak komt ’s nachts, als hij de muren van hun tweekapswoning doet trillen van zijn daverend gesnurk. Ze zijn dol op elkaar.

In 1994, Laura en ik studeren al, overhandigt opa ons allebei plechtig een manuscript met een lichtblauw omslag. Hij blijkt zijn memoires te hebben geschreven. „Niet om door te komen”, waarschuwt onze moeder Marianne, opa en oma’s jongste dochter, buiten gehoorsafstand. Helaas heeft ze gelijk: opa’s memoires zijn taaie kost. Zoals het een man van zijn generatie betaamt, beperkt Wim C. Burger zich zoveel mogelijk tot daden en feiten: zijn jeugd in een groot domineesgezin, zijn medicijnenstudie in Leiden en zijn lange carrière als huisarts. Hij voelt zich ‘te oud om mee te doen aan het exhibitionistisch realisme van de moderne tijd’ en beschouwt zichzelf als kleine speler op het wereldtoneel.

Een uitzondering vormt zijn ontmoeting met oma: Jet Duijfjes, ingenieursdochter uit Treebeek, is ‘knap en geestig en sportief’. Ze trouwen op 29 juli 1939. Wim is afgestudeerd arts, Jetty gediplomeerd verpleegkundige. Berichten over het opkomend nazisme leiden niet af van hun avontuurlijke toekomstplannen. Wims roeping ligt in het zendingswerk.

In februari 1940 reizen Wim en Jet per boot van Genua naar Batavia, het huidige Jakarta. Einddoel is het ziekenhuis in Blora, Midden-Java. Van Indië weten ze weinig tot niets, maar ze zijn ‘verrukt’ over de ‘weelderige tropische begroeiing’. In Blora wordt op 5 maart 1941 Els geboren, hun eerste dochter en mijn tante. Een jaar later, na de capitulatie van het KNIL, wordt Wim als officier van gezondheid tweede klasse Japans krijgsgevangene gemaakt en naar een kamp in Tjilatjap (nu Cilacap) gestuurd. Jet is opnieuw zwanger. De komende vier jaar zijn ze van elkaar gescheiden.

Wim beschrijft zowel de officierstijd als zijn gevangenschap met de hem kenmerkende distantie – misschien doordat hij als arts bleef werken noteert hij het meeste in meervoud en krijgen alle gevaren en kwalen bijna iets abstracts. Grootmoedig en altruïstisch is hij, maar ook een gortdroog auteur.

Dan geeft hij Jetty het woord. Jetty’s oorlogsdagboek, zes bewaard gebleven schriften die hij stuk voor stuk heeft overgetypt, vormen het hart van Wims memoires, zo vergroeid zijn ze in de perceptie van hun leven. Deze zomer lees ik oma’s deel pas goed, en schaam ik me diep dat ik het niet eerder gedaan heb.

Een doddig klein en fijne baby

„Liefste Wim!”, begint het op 21 mei 1942. „Ik ga nu maar een soort dagboek aan je schrijven, er is toch altijd nog een kans dat je ’t wel eens lezen zult.” De eerste grote gebeurtenis waarvan ze hem tot in detail op de hoogte stelt is de geboorte van Marianne, een ‘doddig klein en fijne’ baby, op 14 juli. „Ze lijkt echt op jou, Wim.”

„Ziezoo”, vervolgt ze op Oudejaarsavond. „Ik ben geïnterneerd, net dit jaar nog. ’t Is de Jap nog net gelukt om ons er ook nog achter te stoppen.” Na een reeks verhuizingen is ze met de meisjes beland in de afgekeurde kazerne in het zuiden van Ambarawa, bekend geworden als kamp Ambarawa 6. Die toon – strijdlustig, meer kwaad dan bang – houdt ze de komende jaren vast. De dreigende omstandigheden – steeds meer mensen, minder eten, ziektes en koortsaanvallen, kindersterfte, vrouwen die gek worden of het niet redden – noteert ze soms wanhopig, dan weer vol spotlust en veerkracht. Soms voelt ze zich „een aap in de apekooi, altijd krijschende en kibbelende beesten om me heen”. Haar kinderen doen het naar omstandigheden goed, maar over zichzelf is ze minder zeker. „En nu ben ik […] mager en bijna kaal en ik sjouw de hele dag met potten en luiers op ouwe schoenen en m’n gebit zit vol gaten..” ,,[…] je vindt me vast heusch in ’t gekkenhuis terug.”

‘Je gade huilt’

Tegelijkertijd groeit al vanaf 1942 de hoop op bevrijding, gevoed door geruchten over de opmars van de gealliëerden. HET VLIEGTUIG, noteert Jet op 28 januari 1945, vijf dagen nadat ze „zoo moe, zoo moe” is dat ze denkt te zullen afknappen. Een vliegtuig met rood-wit-blauw op de vleugels heeft pamfletten met het laatste oorlogsnieuws boven het kamp laten vallen. Op 23 augustus mogen de Indo-Europeanen het kamp uit en horen de overgebleven vrouwen dat ze vanaf nu ‘dubbel eten’ zullen krijgen. „Dit deed het heele kamp in katzwijm vallen”, schrijft Jet. „En je gade huilt.” Een dag later horen ze officieel dat de oorlog voorbij is.

Overdag mogen ze naar buiten, maar zolang de Britse bevrijders nog niet ter plaatse zijn, blijft in het kamp het Japanse gezag gelden. Jet ontkomt toch: Gaby Dietzel, een bevriende Hongaarse arts die buiten het kamp heeft kunnen blijven, haalt haar en de meisjes op en biedt ze onderdak in de Rode Kruis-post in het nabijgelegen Oengaran (nu Ungaran).

Terwijl buiten de chaos van de Bersiap-periode voor ‘ellende’ zorgt, wonen Jet, Marianne en Els relatief veilig achter de muur van „het groote Roode Kruis huis met prachtige tuin”. Jet hoort dat Wim de kamptijd is doorgekomen en weer aan het werk is, in het Charitas-ziekenhuis in Palembang op Sumatra. Dankzij zijn functie krijgt hun hereniging voorrang bij de organisatie rond bevrijde vluchtelingen en krijgsgevangenen; Jet en de kinderen rijden en vliegen mee met het Britse leger en op 7 december kan Wim hen van het vliegveld halen. „Heerlijk was het om zijn stem weer te horen, ongelooflijk heerlijk!!” schrijft ze in het kortste verslag uit haar dagboek – alles na het kamp vat ze in vogelvlucht samen, alsof ze niet kan wachten op de goede afloop. Kort erna legt ze haar pen voorgoed neer, op wat Sinterklaasrijmpjes en ansichtkaarten na.

Hoe rijm ik deze vrouw met oma Flip?

Wat een vrouw. Hoe rijm ik haar met oma Flip, onze gezellige smulpaap? Ze is zoveel slimmer en sterker dan ik wist. Oma overleed in 2006, en ik heb met haar noch met opa ooit een serieus gesprek gevoerd. Ik vraag het mijn moeder en tante: was dat in hun jeugd anders? Hoorden zij meer over de oorlog, het kamp?

Nee, luidt het antwoord. Hun eerste eigen herinneringen dateren van na de bevrijding. Els ziet nog de enorme loods in Attaka voor zich met ‘stapels, stapels kleren’ die onder de repatrianten werden uitgedeeld voor het koude Nederland; Marianne herinnert zich het dek van het schip, de Klipfontein, waarover ze tijdens de tocht heen en weer liep met een gekookt ei in haar zak. Van hun huis in Scheveningen weet ze nog hoe Jet de jochies die haar twee magere tropenmeisjes treiterden met één driftbui het zwijgen oplegde. „Mama was mijn heldin”, zegt Marianne. „Een leeuwin”, zegt Els. Als Jet er was, waren ze veilig.

Over het kamp werd niet gepraat, zegt Els, op een paar vaste anekdotes na. Hoe Marianne een keer tijdens het appèl in haar eentje achter een Japanse kampcommandant aan paradeerde. „Die man draait zich om – doodeng natuurlijk – hij ziet dat kleine blonde popje staan, ze buigt diep, en hij buigt terug! Dat soort dingen vertelde mama graag. De gekke, leuke dingen.”

Jaren met lezen gewacht

In 1972 kreeg Marianne de dagboeken opeens ongevraagd in handen. „Mama kwam er een beetje timide mee aanzetten”, zegt ze. „Ik was hoogzwanger van jou, en zat in zo’n geluksroes. Ik ben ze pas jaren later gaan lezen.” Els „durfde ze ook niet uitgebreid te lezen, nee”. Het hoefde ook niet. Hun ouders vroegen niet om medelijden en accepteerden geen slachtofferschap. Het leven was doorgegaan, en ook de band met Indië was hersteld: van 1949 tot 1956 werd Wim opnieuw naar Jakarta gestuurd, dit keer als KLM-arts. Ondanks Jets aanvankelijke twijfels werden dat gouden jaren. De kinderen genoten, en Jet kon er dankzij kokki en baboe leven als een dame, met behalve Nederlandse ook Indonesische vriendinnen.

Pas in de jaren tachtig laat ze zich in bijzijn van Els een paar keer gaan, ’s avonds laat, na het eten. „Een soort seances waren dat, waarin alle angst en onzekerheid uit de kamptijd bovenkwamen. Het eindigde altijd in tranen, en papa maar troosten - ‘Och Jetty, Jetty toch..’ De volgende ochtend had je het er niet meer over.”

Rond die tijd stuurt Wim buiten medeweten van de (klein-)kinderen zijn memoires naar het NIOD, waar in het Indische Archief bronnen over de Japanse bezetting worden verzameld. Historica Mariska Heijmans ontdekt de uitgetypte dagboeken, achterhaalt het adres van de schrijfster en vraagt Jet toestemming om ze voor onderzoek te gebruiken. Die krijgt ze. „Hopelijk hebt u er iets aan”, schrijft Jet Burger-Duijfjes haar op 8 januari 1990. „Natuurlijk staan allerlei gebeurtenissen die de Japanners zeer onwelgevallig waren er niet in, want als je alles opschreef en het werd bij een huiszoeking gevonden, dan zou je kop eraf zijn gegaan. En wie zorgde er dan voor je bloedjes van kinderen?”

Als in 2001 het boek Vrouwenkamp Ambarawa 6 verschijnt, waarin fragmenten uit Jets dagboek zijn opgenomen, nemen Els en Marianne namens haar een exemplaar in ontvangst. Jet zelf is niet meer helder of actief genoeg. Sinds Wim in 1999 overleed, heeft het leven voor haar niet veel zin meer.