Lepeltje-lepeltje

Onlangs was het nog de opening van Lux, de lifestyle-bijlage van deze krant: steeds meer jonge stellen slapen apart. Niet meer de hele nacht lepeltje-lepeltje, maar in aparte slaapkamers, want van alléén slapen rust je beter uit. Twee pagina’s kort samengevat: alleen slapen is oké en zegt niks over de kwaliteit van de relatie.

Lepeltje liggen, wilde een lezer weten, waar komt die uitdrukking vandaan? En wat is de standaardvorm: lepeltje liggen, of lepeltje-lepeltje (liggen)?

De jongste editie van de Grote van Dale, uit 2005, vermeldt beide vormen en geeft ze iets verschillende betekenissen. Volgens dit woordenboek zeg je lepeltje-lepeltje ‘om aan te geven dat twee mensen heel goed bij elkaar passen, dat ze als twee lepeltjes tegen elkaar aan in bed liggen, vrijen e.d.’ Lepeltje liggen betekent volgens dit woordenboek: ‘Als twee lepeltjes tegen elkaar in bed liggen’.

Kortom: lepeltje-lepeltje zou een iets bredere betekenis hebben, want dit kun je ook gebruiken voor mensen die in het algemeen goed bij elkaar passen, of ze nu samen slapen of niet.

Ik veronderstelde dat lepeltje liggen de verkorte variant zou zijn van lepeltje-lepeltje (liggen). En dat die tweede vorm het oudst is. Je hebt immers twee lepels nodig om het beeld compleet te maken. Eén lepel ligt net zo alleen als hedendaagse jonge stellen met twee slaapkamers.

Maar ik bleek ernaast te zitten. De uitdrukking is voor het eerst opgetekend in 1914, in Van Dale, in de vorm lepel liggen. De redactie tekende aan dat het om een ‘platte’ uitdrukking ging, met als betekenis ‘gezegd van twee personen die als twee lepels tegen elkaar in bed liggen’.

Opmerkelijk is dat de beeldspraak internationaal wordt gebruikt. De Engelsen zeggen spooning, de Duitsers hebben het over de Löffelstellung, de Fransen over la position en cuillères of position 99.

Standje 99 vind ik een mooie variant, met die bolle cijferkoppen zo dicht tegen elkaar aan. Het is overigens niet duidelijk of standje 99 vooral voor een slaaphouding dan wel vooral voor een seksuele positie wordt gebruikt. Bij standje 69 is dat wel duidelijk: weinig mensen zullen bij voorkeur in die positie samen slapen.

Kennelijk zeiden wij dus aanvankelijk lepel liggen. De verdubbeling met verkleinvorm – het lepeltje-lepeltje liggen – is in 1967 voor het eerst opgetekend, in een taalkundig tijdschrift.

Lepel liggen heb ik buiten Van Dale nergens kunnen vinden, maar lepeltje-lepeltje (liggen) maakte opgang vanaf de jaren zeventig en tachtig. Grappig genoeg werd de uitdrukking in 1991 beschouwd als jongerentaal. Cor Hoppenbrouwers schreef indertijd: „Lepeltje lepeltje liggen: na een feestje met z’n allen naast elkaar op de vloer slapen.”

Overigens zeggen wij niet alleen lepeltje liggen en lepeltje-lepeltje (liggen), maar heeft men het ook over lepeltjeshouding. Dat woord dook aan het eind van de jaren tachtig op, zowel in woordenboeken als in kranten. Zo gebruikte De Telegraaf het in augustus 1989 in een artikel met als kop „Liefde is… apart slapen.” Korte samenvatting, ook toen al: alleen slapen is oké en zegt niks over de kwaliteit van de relatie.