Je hoeft geen arts te zijn om iets te betekenen

Elke dag kijken vrijwilligers op het Griekse Lesbos uit naar bootjes met vluchtelingen. Zodat ze klaarstaan als ze aan wal komen. „Je ziet die mensen en denkt: waarom kunnen we geen basisbehoeften voor hen regelen?”

Syrische vluchtelingen worden uit het water geholpen op het eiland Lesbos, terwijl ook de kustwacht poogt ze uit hun rubberboot te redden. Foto Alessandro Ponso/Getty Images

Om zes uur in de ochtend staan drie vrouwen op een rots langs de kust van Lesbos. Met een verrekijker scannen ze links en rechts over dit kleine deel van de Egeïsche Zee. Vanaf het Griekse eiland kijken ze uit op de Turkse kust, zeven kilometer verderop. De zon glinstert op het water.

„Dat zwarte puntje daar, is dat een vissersboot of zijn dat vluchtelingen?” vraagt Annemarie Joosten (39). Ze is hier als vrijwillige hulpverlener, in het dagelijks leven is ze zzp’er. „Nee, er zitten maar een paar mensen op, het zijn vissers”, antwoordt Annemarie Dijs (35), in Nederland opgeleid als psycholoog.

Samen met Anja Koevoet (33), afgestudeerd als logopedist, werken de vrouwen nu als vrijwilligers op het eiland. „We zijn the A-team”, zeggen ze lachend, in koor. Ze ontvangen de bootvluchtelingen, rijden hen naar bushaltes en geven hen water en speelgoed. De afgelopen weken hebben ze zo meer dan duizend Syrische, Afghaanse en Irakese vluchtelingen geholpen die via Turkije de oversteek naar Europa maken.

Meer dan 120 duizend mensen volgden deze route dit jaar, in juli kwamen 50.000 vluchtelingen aan in Griekenland. Soms met 22 boten op een dag.

Maar gisterochtend leek het rustig. Een Slowaakse en twee Britse vrijwilligers stonden inmiddels ook op de uitkijk, in het stadje Molyvos.

Binnen een minuut is de boot leeg

Om acht uur sloeg de rust om. „Ik zie er één, we moeten snel die kant uit rijden”, zegt de Brit Eric Kempson. De vrijwilligers stappen in vier auto’s en rijden de kustlijn af. Om de twintig meter liggen daar lek gestoken rubberbootjes, door de opvarenden zelf, weet Koevoet, „omdat ze bang zijn dat de kustwacht ze terugstuurt”. Vanuit de verte vaart een zwarte boot met hoge snelheid richting de kust. Dijs zwaait naar de boot. „Come this way, come here!” Nog geen twintig seconden later landt de boot op het strandje. Zo’n 75 Afghanen komen joelend aan. Paniekerig springen de mannen in het water. Baby’s worden aangereikt aan de vrijwilligers. Een groep jonge jongens springt uit de boot en rent meteen door, de berg op. Ze krijgen flessen water en petjes van de vrijwilligers.

Kempson, die al zeventien jaar op Lesbos woont en dit sinds februari iedere dag doet, roept de jongens terug en vertelt ze welke kant ze op moeten om zo snel mogelijk de bus naar de hoofdstad van het eiland te kunnen pakken. Joosten start de auto en rijdt de eerste groep vluchtelingen die kant op. Koevoet ook. Binnen een minuut is de boot leeg. Twee mannen die net met een auto zijn aangekomen, gooien snel de motor van de boot in hun achterbak en rijden weg.

Dijs blijft achter met een groot gezin. Omdat ze niet in de auto passen willen ze met z’n allen lopen. Ze legt uit dat het gevaarlijk is, acht kilometer lopen, met twee kinderen, in de zon – nu, om acht uur ’s ochtends, is het al heet. Ze biedt aan om de vrouwen en kinderen naar de bushalte te rijden. Nee, zegt Habib (22), die goed Engels spreekt. „We blijven bij elkaar. Wat als de politie een van ons pakt?” Dat gebeurt niet, zegt Dijs.

Habib vraagt aan de verslaggever, zonder dat de hulpverleners het horen: „Weet u zeker dat deze mensen ons willen helpen?” Sinds ze een maand geleden vertrokken uit Kabul, hebben Iraniërs pistolen op hen gericht, in Turkije zijn ze lastiggevallen op straat en de Bulgaarse politie heeft hun telefoons gestolen, vertelt Habib. Ze konden niet geloven dat deze mensen hier op hen stonden te wachten om hen te helpen. Vrijwillig.

Ik voelde: ik móet gaan helpen

De afgelopen maand zijn al twintig vrijwilligers via de Stichting Hulpactie Bootvluchtelingen op Kos en Lesbos geweest om de vluchtelingen op te vangen: ticket, hotel, eten, alles op eigen kosten. Nog twintig komen binnenkort aan. Via Facebook melden ze zich aan. De vrijwilligers zijn tussen de 20 en 50 jaar oud, de meeste hebben een christelijke achtergrond.

Koevoet en Dijs ook. Ze zijn vriendinnen en komen uit de Gelderse Bommelerwaard. Koevoet – blond schouderlang haar, vrolijk gekleurde broeken – werkte tot kort geleden bij het Leger des Heils, ze begeleidde daklozen naar een woning. Daarvoor werkte ze drie jaar met straatjongeren in Brazilië. Dijs – knotje, korte broek, sandalen – is psycholoog. Ze kennen elkaar van de New Wine-conferentie, een jaarlijkse bijeenkomst van christenen.

Twee weken terug was de laatste, in Biddinghuizen, er werd veel gesproken over de situatie van de bootvluchtelingen. Toch apart, zeiden ze tegen elkaar, dat Europeanen toevallig veel kansen hebben op een goed leven. Maar dat gaat met verantwoordelijkheden samen, vertelde een Oegandese predikant in een toespraak. „Ik had er wel over nagedacht, maar hij raakte mij echt in m’n hart”, zegt Koevoet. „Eerder had ik geld overgemaakt naar de stichting, nu moest ik ook gaan helpen.”

Je kunt gewoon boeken en gaan

Na zijn toespraak stuurde ze meteen een Facebookbericht naar de stichting. Twee weken later was ze welkom, voor twee weken. Dijs was iets langer na de conferentie pas om. „Toen ik een paar dagen later thuiskwam van de conferentie en mijn caravan uitlaadde, kwam het. Zoveel spullen, zoveel spullen, dacht ik, en een caravan, en een huis. Toen heb ik Anja gebeld. Kan ik iets doen of misschien meegaan? ‘Je moet mee’, zei ze meteen.”

Ze zijn hier nu een week. Vrienden en familie stuurden voor tachtig kilo aan speelgoed en schoenen mee die ze gistermiddag uitdeelden in een vluchtelingenkamp op Lesbos, waar meer dan duizend vluchtelingen zitten.

Joosten, uit Venlo, is niet christelijk. Wel werkt ze heel haar leven al met vluchtelingen. „Dit is laagdrempelig: je hoeft geen arts of geschoolde hulpverlener te zijn om iets te betekenen voor de mensen. Nu kun je gewoon boeken en gaan. Het is een kleine moeite en je haalt er veel uit.”

En ze zijn zo dankbaar, zegt Dijs. Gisteren, kort na aankomst van de Afghaanse boot, overtuigde Dijs de mannen toch te gaan lopen en de vrouwen en kinderen per auto te laten gaan. Samen met Habib (22) en zijn broer Iskander (28) uit Kabul loopt ze drie kilometer door de bergen, ze dragen de enorme rugzakken van de familie. Onderweg krijgt ze een miljoen vragen. Moeten we naar Nederland gaan? Kunnen we in Athene onze neef in Duitsland bellen en vragen of hij ons ophaalt? Geduldig vertelt ze wat ze weet.

Koevoet is inmiddels terug van de eerste rit en rijdt de mannen verder naar de bushalte. „Thank you, thank you, thank you miss”, zeggen ze tegen Dijs.

Ze zijn natuurlijk blij dat ze nog leven

„Iedereen komt heel vrolijk aan. Ze zijn natuurlijk blij dat ze de tocht hebben overleefd. En de mannen zijn beleefd, als we ver moeten lopen vragen ze of ze mijn tas kunnen dragen. Vooral met de mensen die Engels spreken voel je geen afstand. Het is echt een bijzondere ervaring, maar ook lastig. Je ziet die mensen en denkt: oké, niet iedereen kan in een villa wonen, maar waarom kunnen we nog steeds geen basisbehoeften regelen voor deze mensen?”

Koevoet vindt het jammer dat er niet méér mensen zijn om te helpen. „Vrijdag kwamen er op verschillende plekken tegelijk boten aan, ik ging in mijn eentje naar een boot met vijftig mensen, veel kinderen. De boot lag nog voor de kust en liep in de hectiek vol met water. Er was niemand om de kinderen uit de boot te halen. Acht mensen van de pers stonden van een afstandje te kijken, deden niets. Gelukkig liep het goed af. Maar toen ik het strand op liep moest ik wel huilen. Toen kwam er een Syrische vrouw naar me toe, ook rond de dertig. ‘Waarom huil je?’, zei ze. Ze sloeg haar armen om me heen. Toen hebben we daar samen zo gestaan en even heel hard gehuild.”