Cultuur

Interview

Interview

Luchtfoto van een deel van de opgraving bij Bournemouth. De grote cirkels zijn sporen van huismuren. Veel kleine cirkels zijn voorraadkuilen.

Hier zijn fantasiedieren begraven

Vondst van koeienskelet met paardenbenen en andere hybrides stelt Britse onderzoekers voor raadsels.

Een schaap met zes poten. Het is een van de vele ongewone samenstellingen van dierlijke skeletresten die archeologen van de Universiteit van Bournemouth de afgelopen jaren op hun opgraving in Zuid-Engeland hebben gevonden. „We hebben ook een koe met vier paardenbenen, een paardenhoofd met een omgekeerde koehoorn en een schaap met een stierenhoofd bij zijn achterste”, zegt Miles Russell, co-leider van de opgraving, over de telefoon.

„Ze lagen in voorraadkuilen uit de IJzertijd”, vult zijn collega Paul Cheetham aan.

„De vreemde vondsten begonnen zes jaar geleden met de ontdekking van een veel kleinere banjo enclosure”, vertelt Russell. Op een heuvel bij Winterborne Kingston, ongeveer vijfentwintig kilometer ten noordwesten van Bournemouth, stuitten ze op een typisch Brits verschijnsel uit de periode 400-100 voor Christus: een rond bewoond terrein omgeven door een greppel en een aarden wand met een lange toegangsweg, aan beide zijden geflankeerd door eveneens een greppel en een aarden wand. Van bovenaf gezien lijkt het geheel op een banjo.

Koel bewaard

Binnen de omheining troffen de archeologen en hun studenten de sporen aan van drie grote ronde huizen met een diameter van elf tot vijftien meter. „Naast en soms in de huizen ontdekten we ruim vijftig voorraadkuilen met een diepte van gemiddeld anderhalve meter”, gaat Russell verder. Daarin konden voedsel en zaaigraan langere tijd koel worden bewaard. In alle kuilen, op drie na, vonden ze op de bodem keurig neergelegde (delen van) skeletten van paarden, koeien, honden en varkens, vaak in gemengde samenstellingen, maar zonder verder afval. „Hierdoor weten we dat de botten erin zijn gelegd, nadat een kuil in onbruik was geraakt.”

Voor zover Russell en Cheetham weten, komen die skeletsamenstellingen nergens anders in Groot-Brittannië en de rest van Europa voor. En dus moeten ze nu zelf een antwoord zien te vinden op de vraag wat de skeletresten in de voorraadkuilen betekenen. „Mogelijk waren het offers tijdens een afsluitingsceremonie bij een buiten gebruik geraakte voorraadkuil.” In een artikel in The Independent werd ook een verband gelegd met mythen over hybride dieren als de griffioen bij de Oude Grieken. „Dat is een idee van de journalist. Interessant, maar daarover hebben wij niets gezegd”, zegt Russell stellig.

Geen viseters

Dit jaar hebben de archeologen vierhonderd meter zuidelijker nog meer voedselkuilen met dierlijke skeletten gevonden. Die lagen in en bij een veel grotere nederzetting. Zestien ronde huizen zijn er geheel of gedeeltelijk opgegraven. Die lagen ongeveer twee meter van elkaar. Maar onderzoek aan aardsporen maakte duidelijk dat er wel 150 tot 200 huizen hebben gestaan, gebouwd in de eerste eeuw voor Christus.

Russell en Cheetham gaan er vanwege hetzelfde ritueel met de dierenbotten vanuit dat leden van dezelfde Britse stam de oudere banjo enclosure en de nederzetting hebben bewoond.

„Het was een agrarische gemeenschap die, hoewel dicht bij een rivier en de kust, geen vis at”, zegt Cheetham. Uit eerder zoölogisch onderzoek is bekend dat tijdens de IJzertijd meer groepen in Groot-Brittannië en Gallië waarschijnlijk bewust geen vis aten. „Misschien omdat ze hun doden een rivier- of zeegraf gaven.” Cheetham en Russell hebben in ieder geval uit de bewuste periode geen graven gevonden. Met één vrouw als uitzondering. Maar het feit ze met haar hoofd op de koppen van dieren en met haar benen op de poten van dieren lag, geeft aan dat ook hier iets speciaals aan de hand was. „Bovendien ziet het er naar uit dat haar keel was doorgesneden”, vertelt Russell.

Bij de ingang van het omheinde terrein lagen wel graven uit een latere periode. „Die dateren uit het einde van de eerste eeuw voor Christus. Mogelijk hebben we hier te maken met een nieuwe bevolkingsgroep.” Mogelijk gaat het om de Durotriges, die bij de tweede-eeuwse Griekse geograaf Ptolemaeus en de Romeinse schrijver Suetonius (70-140) worden genoemd. Ze worden gezien als een inheemse stam, maar Russell en Cheetham houden er gezien de vondst van enkele ‘Keltische’ munten rekening mee dat ze oorspronkelijk uit Gallië kwamen. „Voor hun komst had je hier geen munten, in Gallië wel. Dan zouden ze door Caesar zijn verdreven.” De afwezigheid van verdedigingswerken rond de nederzetting en geweldssporen doen vermoeden dat ze zonder problemen door de oorspronkelijke gemeenschap in hun midden zijn opgenomen.