‘Het paspoort werd pas na de Eerste Wereld- oorlog ingevoerd’

Dat stond vorige week in de Volkskrant

Illustratie Jet Peters

De aanleiding

Veelschrijver en Volkskrant-journalist Peter de Waard bestempelt de vluchtelingenstroom richting Europa niet als probleem. Sterker nog, hij ziet een oplossing. In zijn column in de Volkskrant schreef hij vorige week dat het grootste probleem van het Westen vergrijzing is. De enige oplossing is in zijn ogen migratie.

Hij legt uit dat het tegenhouden en controleren van mensen zonder vijandige bedoelingen een jong verschijnsel is - nog geen twee eeuwen oud. Reizen kon volgens De Waard lang vrij. ‘Paspoorten werden pas na de Eerste Wereldoorlog ingevoerd’, schreef hij. Maar is dat waar?

Waar is het op gebaseerd?

We bellen De Waard. Hij weet niet meer precies waar hij de informatie vond. Het zou heel goed kunnen dat De Waard het las in de Grote Geschiedenisquiz van NRC Handelsblad dit voorjaar. Hij legt uit dat hij niet doelt op het eerste reispapier, maar wél het eerste Nederlandse paspoort.

En, klopt het?

Een woordvoerder van Binnenlandse Zaken wijst op de Paspoortwet van 1813. Sindsdien hadden Nederlanders en buitenlanders een paspoort nodig om over de grens te reizen. Dat ‘paspoort’ zag er wel iets anders uit dan dat we het nu kennen. Op een A4’tje stonden lengte, haar- en oogkleur vermeld. De aanbeveling werd geschreven door iemand met een goede reputatie.

Maar die wet werd niet streng nageleefd, schrijft emeritus rechtssocioloog en expert op het gebied van migratierecht Kees Groenendijk in zijn boek Op weg naar een Nederlandse paspoortwet. ‘Internationale reizigers werd weinig in de weg gelegd.’ Een paspoort was alleen nodig voor Rusland, Servië, Turkije en een tijdje ook Frankrijk. Het document werd over het algemeen gratis verstrekt door gemeentebestuur of consulaat.

De Eerste Wereldoorlog veranderde alles, onderschrijft Dirk Jan Wolffram. Hij is hoogleraar politieke geschiedenis van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw aan de Rijksuniversiteit Groningen. ‘Bij het uitbreken, in augustus 1914, wordt in heel Europa op stel en sprong het reizen flink ingewikkelder gemaakt. Zonder paspoort kwam je geen grens meer over.’ De regels over de uitgifte van het paspoort werden in die tijd ook aangescherpt: het gaat geld kosten en een paspoort is niet langer een recht.

Na WOI is het afschaffen van paspoorten geen optie meer voor de overheid. Sterker nog: het paspoort wordt meer dan een reisdocument, het wordt een bewijs van nationale identiteit en van burgerschap, benadrukt Wolffram.

Samuël Kruizinga, universitair docent moderne geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, vult aan dat het toelatingsbeleid strenger werd. ‘De vluchtelingenstromen die tijdens de oorlog ontstonden, leken voor de overheid de noodzaak te illustreren van een strenger nationaal veiligheidsbeleid.’

Daarna ontstond ook het moderne internationale paspoortsysteem, volgens de Amerikaanse politicoloog Mark Salter. Het systeem kwam tegemoet aan tegenstrijdige wensen, namelijk die van vrij personenverkeer en controle op ongewenste vreemdelingen die zich definitief in een land probeerden te vestigen. Professoren Wolffram en Kruizinga bevestigen dat.

Conclusie

Bijna twee eeuwen geleden voerde de Nederlandse staat officieel het paspoort in. Dit was dus vóór de Eerste Wereldoorlog. Maar: het ‘paspoort’ was in die tijd een makkelijk te verkrijgen reisdocument waarop niet streng werd gehandhaafd. Eigenlijk werd het paspoort pas na WOI gebruikt op een manier zoals Peter de Waard beschreef. Namelijk om vreemdelingen buiten de deur te houden. We beoordelen de stelling dat het paspoort pas na de Eerste Wereldoorlog werd ingevoerd daarom als grotendeels waar.