Grachtenfestival: jong talent, oude locaties

Dit weekend begon voor de 18de keer het Amsterdamse Grachtenfestival. Nergens anders hoor je in tien dagen zoveel jong talent op zulke verrassende locaties.

Openingsconcert Grachtenfestival, vrijdag op een ponton voor het Compagnietheater in A’dam. Foto Rien Zilvold

In de stad wapperden de banieren je dit weekend op elke straathoek tegemoet. Het Grachtenfestival is in de laatste cultuurluwe week voor de Uitmarkt al 18 jaar een niet te missen aanwezigheid in de Amsterdamse binnenstad. En dit jaar – met concerten op het eiland Pampus en ander erfgoed van de stelling van Amsterdam – zelfs ook even daarbuiten.

Wat klein begon, is uitgegroeid tot een stabiel evenement (budget 935.000 euro) met 250 concerten op 90 locaties. Ter vergelijking: het Holland Festival, ook in Amsterdam, biedt jaarlijks 150 voorstellingen voor het zesvoudige budget en dát is al krap. Maar het Grachtenfestival drijft op twee gouden budgetpijlers: de musici zijn merendeels jonge (betaalbare) talenten en de locaties – van Tuschinski tot privésalons aan de gracht – worden vaak om niet ter beschikking gesteld.

Het festival opende vrijdag met voorproefjes op de komende week, gekruid door de neveningrediënten die het festival zijn charme geven: trapgevels tegen een langzaam donkerder kleurende hemel, overvliegende ganzen en een door alles heen beierend carillon. Indruk maakte het frisse charisma van sopraan Maartje Rammeloo met haar stralende coloraturen, in een scène uit de zaterdag en zondag gespeelde opera The Telephone van Menotti door De Nederlandse Reisopera.

Pianist Thomas Beijer bracht in kamermuziekverband nieuw eigen werk, dat soms John Corigliano-achtig filmisch bleek, soms schatplichtig aan Sjostakovitsj en Ástor Piazzolla. De geweldige klarinettist Bart de Kater (Nieuw Amsterdams Klarinet Kwintet) bewees zich daarna het soort musicus dat ondeelbaar lijkt van zijn instrument: hypervirtuoos, eigenzinnig en compromisloos. Vrij misbaar was de bijdrage van pianistes Elsbet Remijn en Claudette Verhulst die in Slaande ovatie, deze week nog uitgevoerd in een boksschool in A’dam-West, gehijg en geboks afwisselden met pianospel. Een aardige gimmick, en weinig meer.

Experimenteren hoort echter bij het festival, net als het ontdekken én volgen van talent. Op het Grachtenfestival hoor je, kort gezegd, de sterren van morgen en dat geldt zeker voor de Georgische pianiste en Lisztconcourswinnares Mariam Batsashvili (1993), die speelde in de kerkzaal van de Hermitage aan de Amstel. De zeggingskracht van Batsashvili’s spel leidde al tot een lancering naar podia van Seoul tot Ecuador, maar hier verzorgde ze een intiem Liszt-recital op een Bechstein uit 1900, waarvan de percussieve helderheid haar spel een gevaarlijke ruigheid gaf. Virtuositeit is vaak imposant op een afstandelijke manier, hier was het alsof de pianistische vonken ook je eigen wenkbrauwen even meeschroeiden.

Het festival biedt nog talloze van dit soort kleine recitals, naast een stevig kinderprogramma en cross-overs. Op dat laatste terrein deed programmeur Mirjam Wijzenbeek een meesterzet door de prachtige countertenor Oscar Verhaar te koppelen aan singer-songwriter Gabriel Rios, waardoor luisteraars in de Tolhuistuin verrast werden door het inzicht dat mooie liefdesliedjes een tijd- en genreoverschrijdend fenomeen zijn.

Liederen van Huygens en Caccini kregen een eigentijdse feel door de versterking en de setting in het duistere zaaltje, waaraan ook Verhaars toelichtingen („Dit liefdesliedje is van Monteverdi. In het kort: je bent een kutwijf, maar ik ga wraak nemen.”) bijdroegen. Met celliste Alber Docters van Leeuwen en bassist Ruben Samama bracht Rios daarna liedjes van zijn cd This Marauder’s Midnight : sterke teksten, dampend podiumcharisma en gitaar, cello en bas – voor een doorleefde, stuwende performance heeft Rios niets meer nodig.