Gestileerd ‘Accattone’ opent Ruhrtriennale

In een kolenhal in Dinslaken begon vrijdag de eerste Ruhrtriennale van Johan Simons, met muziektheater naar Pasolini’s debuutfilm

Jeff Wilbusch, Lukas von der Lühe en Elsie de Brauw in Simons’ ‘Accattone’ Foto Julian Röder

De locatie van muziektheaterproductie Accattone, de openingsvoorstelling van de eerste Ruhrtriennale onder leiding van Johan Simons, is natuurlijk de grootste triomf. 210 meter lang is de Zeche Lohberg, een voormalig steenkolenhal in Dinslaken, die deze festivaleditie voor het eerst bespeeld wordt. Hoe het bontgeklede premièrepubliek die afstand doorkruist op weg naar de tribune, struikelend over steengruis en omkranst door roodgouden zonnestralen, terwijl de reusachtige, donkere hal zich boven hen opricht, hen verzwelgt, is een nederig stemmend gezicht. Steeds kleiner, nietiger worden wij, tegen dit immense decor – en dat effect is de essentie van deze productie, Pasolini’s Accattone begeleid door Bachcantates: stof zijn wij, en tot stof zullen we wederkeren. Vooraf leek welhaast vast te staan dat de tetrarchie van Pasolini en Bach, regisseur Johan Simons en dirigent Philippe Herreweghe dat stof hier in goud zou doen veranderen.

De grootste verrassing van Accattone, een co-productie van Ruhrtriennale, Collegium Vocale Gent en NTGent, is dat dat niet gebeurt. Ja, de voorstelling kent schitterende elementen, zoals de betoverende, troostrijke zang van Herreweghe’s Collegium Vocale of de technisch soms verbluffende cast, en elke paar minuten is er wel een beeld - een acteurslichaam dat fraai contrasteert met de immense ruimte, dat je de adem beneemt. Maar een alchemistisch wonder blijft uit. Muziek, spel, tekst en materie vallen te weinig samen, en Simons streeft een artificiële speelstijl na die zich maar moeizaam verhoudt tot de sociaal-realistische vertelling. In het kort: de neergang van een goedbedoelende achterbuurtsloeber.

Sowieso blijkt Pasolini’s Accattone, zijn debuut uit 1961, zonder de authenticiteit en couleur locale van de film een wat magere, eendimensionale anekdote. Simons tracht het geheel op te tillen door de personages tot archetypes te maken - de Hoer, de Wet, de Maagd, maar met die universaliteit ontstaat afstand en gaat zeggingskracht verloren. De acteurs spreken hun teksten monotoon, veelal hard, scherp en cynisch, en bevriezen in contrast herhaaldelijk in stil, poëtisch spel dat soms in de verte neigt naar dans. Ze wisselen voortdurend tussen spelen en vertellen. Zo contrasteert Simons het aardse met het hemelse, zoals dat ook in het groot gebeurt, door de ‘lage’ vertelling van hoeren, dieven en pooiers te doorkruisen met de verheven muziek van Bach – een glorieuze trouvaille, die in de film al door Pasolini zelf werd gedaan. Theater van gestileerde zwaktes en driften is het, van stof, vuil en lillend vlees, met slechts heel af en toe een moment van erbarmen of schoonheid.

De gezochte stilering is een keuze, maar een die niet altijd even goed uitpakt. De sarcastisch-verveelde toon van acteur Steven van Watermeulen is ergerniswekkend, het consequente schreeuwen van Jeff Wilbusch onnodig – sowieso zijn de acteurs overdreven luid verstrekt. Benny Claessens verbeeldt het gezag zó onmachtig; fatterig, amechtig en pervers - het zware lijf krachteloos en week op de grond geworpen, dat het bijna pijn doet om aan te zien. Razend knap is het, zoals ook het compromisloze spel van Steven Scharf in de titelrol, maar iets te doordrongen van de eigen virtuositeit. En raken of roeren doet het niet.

Goddank is daar nog het Collegium Vocale, dat met elke Bachcantate opnieuw ontroering wekt, weemoed schept, troost biedt en verzoent. Zodat je uiteindelijk toch meevoelt met het vergeefse aards geploeter van Accattone en de zijnen, en daarmee met dat van de mens.