Column

Een land waar hufters de norm bepalen

Soms valt het niet zwaar het vaderland te verlaten. De trein naar Berlijn verschijnt met veertig minuten vertraging aan het perron in Amsterdam. Op het Nederlandse traject blijft de oorzaak van de vertraging evenwel een mysterie. Geen excuusje kan er af via de geluidsinstallatie. Integendeel: de Nederlandse conducteur munt uit door onvriendelijke bejegening van de reizigers. Wanneer ik hem bijvoorbeeld vraag of ik wellicht in deze wagon – die immers ook naar Berlijn gaat – zal blijven zitten omdat de snelle ICE waarop mijn kaartje vanaf Hannover recht geeft straks vermoedelijk toch al is vertrokken, reageert hij alsof ik een onbetamelijke opmerking maak: Daar kan ik geen uitspraken over doen, dat moet u toch echt straks aan de Duitse collega's vragen.”

Wel vindt hij tijd voor een ellenlange, belerende toespraak in drie talen via de intercom over het rookverbod tijdens het oponthoud op de perrons, en de boetes die de zondaars bedreigen. Hier is duidelijk iemand aan het woord die de reizigers ten diepste haat, en dat ook duidelijk wil laten merken.

De Duitse conducteurs vanaf grensovergang Bad Bentheim zijn allervriendelijkst. Natuurlijk mag ik straks in Hannover blijven zitten. Uitvoerig bieden zij excuses aan voor de vertraging, en zelfs voor de vervelende gevolgen die deze vertraging mogelijk zou kunnen hebben. En ze onthullen via de intercom tevens de oorzaak van de vertraging, waarover de Nederlandse collegae in alle talen zwegen: er was bij vertrek in Nederland voor deze trein geen machinist te vinden.

Eenzelfde delicatesse kenmerkt het personeel van de ICE en de TGV die me later in de week van Berlijn naar Parijs brengen. Beide treinen ondervinden vertraging omdat er tussen Frankfurt en Mannheim een kapotte trein op het tracé staat. Aan de nederige excuses daarvoor komt geen einde, lijkt het wel.

Is dit verschil in bejegening tussen Nederlanders enerzijds, en Fransen en Duitsers anderzijds toeval? Ik denk het niet eigenlijk. In de Thalys van Parijs naar Amsterdam, weer een paar dagen later, is de bediende van het buffet een Nederlander. Ik vraag om een biertje, en hij zegt: „Welk bier?” Wat hebt u, vraag ik – wat hij als een stomme vraag lijkt te beschouwen. „Deze”, luidt zijn antwoord, wijzend op een flesje, „of ook nog Jupiler.”

Nadat hij het opengemaakte flesje voor me neergezet heeft, vraag ik of ik er misschien een glas bij kan krijgen. Hij kijkt me spottend aan en zegt: „Er staan er anders genoeg.” Pas dan zien ik dat er op het buffet een stapel in elkaar geschoven plastic bekertjes staat, waarvan ik er kennelijk eentje af moet nemen. Ik kom overduidelijk terug in Nederland – een land waar de hufters denken dat zij de norm zijn.