Brieven

Rio zit op een dieptepunt

Precies een jaar verwijderd van het ontsteken van het Olympisch vuur. „Rio een jaar voor het feest” prijkt er op de voorpagina van de Estado, een van de grote kranten in Brazilië. Een speciale krantenbijlage zet het aftellen kracht bij. Er moet nog een hoop gebeuren, is de conclusie. Maar het zal goedkomen.

’s Avonds op het journaal zien we Dilma Rousseff, de president van Brazilië, op een feestje enthousiast vertellen dat er – misschien na Athene in de oudheid – nog nooit een mooier decor is geweest dan Rio de Janeiro voor het grootste sportevenement ter wereld. Het bobo-publiek juicht instemmend. Hier wel.

Nog een jaar voor het eerste startschot, maar de records worden al gebroken. De productie van de Braziliaanse industrie haalt het laagste resultaat sinds het derde kwartaal van 2009 en krimpt met 6,7 procent ten opzichte van hetzelfde kwartaal in 2014. De real zakt verder weg ten opzichte van de dollar en haalt het laagste niveau in 12 jaar. Nog nooit heeft een president in Brazilië een lagere waardering gekregen dan Dilma. Ze scoort zelfs lager dan president Collor de Mello, net voordat hij aftrad vanwege de corruptieschandalen in 1992.

Nog nooit is op zo’n duidelijke wijze blootgelegd hoe contracten met staatsgiganten als Petrobras onderhands worden verdeeld onder een klein groepje ondernemers; hoe honderden miljoenen aan steekpenningen zonder gêne worden verdeeld onder politici en de partijkassen van de zittende PT en haar coalitiepartners en andere bestuurders in bedrijfsleven en overheid.

Het proces dat de vuiligheid en de recordbedragen verder blootlegt, heet, niet zonder ironie van het OM, Lava Jato, wat ‘Hogedrukspuit’ betekent. Met die Olympische Spelen zal het wel goed komen. Met Brazilië zal het iets langer duren, ben ik bang.

Explosie Tianjin

Dit is geen ‘incident’

„Het incident had plaats rond 23.30 uur lokale tijd,” schrijft de krant in het eerste bericht over de enorme explosie in Tianjin (12/8).

Een ‘incident’? Dat is een voorval, toch niet een passende aanduiding voor een ongeluk, laat staan een ramp?

Een incident is een ‘storend voorval’, geeft de grote Van Dale als omschrijving. Ik ben bang dat het Engelse ‘incident’ de journalist en de eindredactie parten speelde; dat heeft inderdaad een brede betekenis.

Anton van Hooff

Optreden hulpverleners

Bellen, zegeningen tellen

In uw krant van 6 augustus beschreef de hooggeleerde in de middeleeuwse geschiedenis Geltner een door de politie en ambulancedienst uitgevoerde hulpverlening van een bewusteloze man.

Na de melding van Geltner van ‘een niet-wekbaar persoon’ gaat de meldkamer uit van een levensbedreigende situatie. Mensen horen immers altijd wekbaar te zijn, ook als zij op straat liggen, zeker als ze ongeveer 25 zijn met nette kleren aan en een mooi horloge om.

Deze mogelijk levensbedreigende situatie bepaalt de inzet van hulpverlening. Volgens een gevalideerd protocol stuurt de centralist naast een of twee ambulanceteams eventueel de brandweer, het mobiel medisch team en de politie. De centralisten van politie, ambulancediensten en brandweer zitten daarom samen in een zaal.

Het meesturen van de politie heeft in Amsterdam (en de rest van Nederland) grote voordelen. Politieagenten zijn hulpverleners die getraind zijn in eerste hulp en zijn meestal eerder bij het slachtoffer dan ambulance. Mede hierdoor stijgt het aantal succesvolle reanimaties in Nederland.

Uit de beschrijving van Geltner maak ik op dat er robuust is opgetreden. Dit nadat de persoon geweigerd had mee te werken na zijn ontwaken: hij wilde zijn identiteit niet delen met de hulpverleners die met spoed naar hem toe waren gekomen. Het kennen van iemands identiteit helpt bij de keuze voor de juiste behandeling. Daarbij is het mogelijk dat de persoon al gemist wordt door zijn naasten. Het primaire doel van het achterhalen van de identiteit is hulpverlening en niet opsporing.

Mijn ervaring als de medisch specialist van het mobiel medisch team (de traumahelikopter) is dat de reactie van bewusteloze personen die opeens wakker worden, vaak behoorlijk agressief is. Ik kan me voorstellen dat dit meespeelde in het door Geltner ervaren robuuste optreden.

De vraag van Geltner of hij in een dergelijke situatie wel moet bellen kan ik eenvoudig beantwoorden: vanzelfsprekend wel. Een bewusteloze man is in levensgevaar, niet bellen is het hulpeloos achterlaten van een slachtoffer. Dat is strafbaar. Geltner heeft in de beschreven casus zelfs te laat gebeld. Een kostbaar kwartier is verloren gegaan door zijn getalm. Geltner moet dus sneller bellen en blij zijn dat adequate hulp na zijn 112-melding snel in groten getale ter plaatse was. En adequaat is soms robuust.

Sjoerd Greuters Anesthesioloog, MMT-arts