Wereldgoal

De hakbal van ADO-doelman Martin Hansen werd meteen uitgroepen tot wereldgoal. Iedereen achterover in extase, journalisten en analisten voorop. Wereldgoal?

Ik heb het toverdoelpunt zeventien keer teruggespoeld en vond er niets werelds aan. Integendeel, armoede van het klompenbal. Het was een carambole die per ongeluk op het been van een nuttige idioot afketste. Zelden een lelijker doelpunt gezien. Dit was scoren met een kruk. Als PSV wint, spreekt niemand over de wereldgoal van Hansen. In dakpannen zit meer raffinement dan in die bal. Zet de eerste de beste bronstige non in een gymzaal en zij scoort ook met een loshangend scheenbeen. Zonder schietgebedje.

Het is verontrustend dat commentatoren en analisten zo’n monsterlijk doelpunt tot wereldgoal verheffen. Waar is dan nog hun gevoel voor schoonheid? De hysterie rond de kreupele hakbal van Martin Hansen legt de artistieke armoede van de eredivisie bloot. Wie voor zo’n softenonschot uit de bol gaat, kan beter naar een rugbywedstrijd.

Bij wereldgoals denk ik aan Maradona, aan Bergkamp, aan Messi en Ronaldo, aan Depay en El Ghazi. Of aan een grondscherend schot binnenkant paal van Johan Neeskens. Dan benaderen we kunst. De hocus pocus van een doelman is dat nooit.

Natuurlijk was het gelijkspel tegen PSV voor ADO een opsteker. Het resultaat vervormt schoonheid – het kunstje wordt niet meer objectief beoordeeld. Als het been van Hansen dan toch van zo’n unieke goddelijkheid is, voer het dan meteen geamputeerd af naar het museum. Het uitstalraam van ADO Den Haag is al zo schraal bezaaid. Daar kan een mummie bij.

In de terreur van resultaatvoetbal wordt schoonheid, of pogingen daartoe, door sommige coaches zelfs bestraft. Voorop staat efficiëntie en een frommelgoal wordt even hysterisch gevierd als een gestrekte streep in de kruising. Van Roda JC begrijp ik dat, van Ajax, Feyenoord en PSV niet, zelfs van Vitesse niet. Er zouden punten moeten worden uitgedeeld voor technische hoogstandjes in een wedstrijd. De eindlaureaat krijgt een kunstwerk van waarde.

Nu Nederlandse clubs er in Europa toch niet meer toe doen, kunnen we in de eredivisie het primaat toekennen aan het spel – het resultaat is ondergeschikt. Dat betekent dat een doelman zich als zwarte panter in zijn kooi laat kennen en niet als vogelverschrikker in de zestien aan de overkant. Elke wedstrijd wordt een hoogmis van combinatievoetbal.

Doodschoppen, achterwaartse tackles en kopstoten zijn per definitie gebannen in een artistieke galapartij. Het publiek in de tribune verandert mee: estheten dulden geen hooligans.

Voor alle duidelijkheid: ik gun Martin Hansen zijn vijf minuten roem van harte. Maar een keeper die scoort met een spasme is eigenlijk niet om aan te zien. Zoals het ook niet deugt dat een nummer 10 met zijn kleine teen een bal binnentrapt. En iedere passeerbeweging hoort de signatuur van de totale mens te hebben.

Kunst op het veld, geen circusvoetbal meer. Bal en man mooier maken dan zij zijn. Dan nog zal er strijd zijn en overgave en furie, maar het festival van de elleboogstoot droogt vanzelf op.

Hoe zit het dan met de sensatiehonger van het publiek? Dat gaat binnen de kortste keren anders naar voetbal kijken. Naar de kunst van het verdedigen, naar een combinerend middenveld, naar het killerinstinct van de spits. De vreugde om gesoigneerde uitvoering is een ander, dieper geluk dan schoffelen.

Er zullen nieuwe vedetten ontstaan: Pirlo-achtigen. Eindelijk zien we weer flarden van George Best, een kopbal met de dodelijke finesse van Sergio Ramos. De schreeuwlelijken van de dug-out mogen brevieren.

Figuratief voetbal vindt zichzelf uit.