Vriendjespolitiek is het grootste probleem

Niet de schuldenlast maar de politieke corruptie is het grootste probleem voor Griekenland zeggen drie prominente Grieken. Het grote belangennetwerk verhindert diepgaande hervormingen.

Illustratie Rik van Schagen

In de aanpak van de Griekse crisis zijn de afgelopen jaren fundamentele fouten gemaakt, veroorzaakt door onwil en onbegrip. In de kern is het probleem niet financieel, maar politiek en sociaal-economisch. Niet de schulden zijn het belangrijkste knelpunt, maar de verwevenheid van politiek, media, banken en allerlei belangengroepen.

Dat zeggen, in afzonderlijke interviews, drie prominente Grieken die zich regelmatig mengen in het publieke debat. Er zijn nuanceverschillen. Ze stellen het niet allemaal even expliciet. Maar in een grove schets is dit hun analyse: Griekenland lijdt onder een cliëntelistische benadering van de politiek die alles besmet en verlamt. Politici ‘kopen’ de steun van belangengroepen door hen gunsten en privileges te verlenen die veel geld kosten. In de belastingdienst, de afdelingen ruimtelijke ordening van de gemeente, de publieke gezondheidszorg, bijna overal binnen het overheidsapparaat heeft zo de corruptie wortel kunnen schieten. Wil Griekenland er bovenop komen, dan moet allereerst daar iets aan gebeuren. Het is belangrijker dan schuldverlichting. Dat is in Brussel, Berlijn, Frankfurt en Washington onvoldoende onderkend.

„Europa heeft geld gegeven aan dezelfde politieke klasse die het probleem heeft gecreëerd”, zegt Andreas Koutras, een financieel analist die voornamelijk in Londen werkt maar ook regelmatig in Athene is. „Stel je voor dat je, toen Oost-Duitsland werd verenigd met West-Duitsland en het oosten moest worden gesaneerd, aan Erich Honecker had gevraagd om dat te doen.”

„Het probleem is dat een grote groep belanghebbenden elkaar beschermt en overeind houdt”, zegt Pavlos Eleftheriadis, bestuurslid van de kleine centrumpartij To Potami en docent rechten in Oxford. „Een groepje oligarchen die tv-zenders hebben gekocht, doet zaken met de politiek: zendtijd en welwillende berichten in ruil voor overheidscontracten. Bovendien hebben die oligarchen royaal kunnen lenen bij de staatsbanken.”

Voor alle duidelijkheid: voor Koutras en Eleftheriadis is de linkse coalitie Syriza van premier Tsipras deel van het probleem. Die draait mee met het cliëntelistische systeem. Nadat de partij in januari de verkiezingen won, zijn de directeuren van de ziekenhuizen vervangen door politieke vrienden. Iets vergelijkbaars is gebeurd bij de publieke omroep, die onder Syriza weer nieuw leven is ingeblazen. En een voorstel om een vorm van bijstand in te voeren wordt volgens Eleftheriadis zo ingewikkeld gemaakt dat er veel ruimte komt voor vriendjespolitiek.

„De discussie met Europa ging altijd over geld’’, zegt Stathis Kalyvas, auteur van het boek Modern Greece en als politicoloog verbonden aan de universiteit van Yale – hij is in Athene om te proberen daar een privé universiteit op te richten. „De Europeanen zijn veel te aarzelend geweest om aan te dringen op hervormingen. Dat werd beschouwd als iets wat de Grieken zelf moeten doen. Bezuinigen, dat is pijnlijk en onplezierig, en door daar steeds de nadruk op te leggen, werden ze impopulair. Het zou veel slimmer zijn geweest om een strategie van de wortel en de stok te volgen, beloningen combineren met ingrijpende hervormingsmaatregelen. ’’

Wie Griekenland wil helpen, moet hervormingen afdwingen. Dat is in hun ogen veel en veel belangrijker dan bijvoorbeeld schuldverlichting. „Eigenlijk is heel die schuld geen probleem’’, zegt Koutras. Volgens de nominale waarde bedraagt die de schuld nu bijna 180 procent van het bruto binnenlands product. Maar door de langere looptijd die de afgelopen jaren is afgesproken, vaak decennia, is de feitelijke waarde een stuk lager. „De netto waarde van de Griekse schuld is nu minder dan negentig procent van het bbp. Dat is minder dan België of Italië. Griekenland moet iedere twintig jaar herfinancieren, Italië iedere vijf jaar.’’

Industrieel cliëntelisme

De Griekse politiek is nooit vrij geweest van cliëntelisme. Maar, daarover zijn de drie het eens, het is pas goed fout gegaan in de jaren tachtig. Griekenland was in 1981 lid geworden van de Europese Unie en voor wat toen het armste land van de Unie was, kwam ineens heel veel geld uit Brussel beschikbaar. Premier was toen Andreas Papandreou, de razend populaire leider van de socialistische partij Pasok: slim, economisch onderlegd, een groot redenaar – over de huidige premier Tsipras wordt vaak gezegd dat hij de toespraken van Papandreou voor de spiegel heeft proberen na te doen.

„De acht jaar dat Papandreou aan de macht was, waren een ramp voor het land”, zegt Eleftheriadis. „Onder hem is een bijna industriële vorm van cliëntelisme ontstaan. De partij zette in alle staatsbedrijven of door de staat geredde bedrijven zijn eigen mensen. Hij omringde zich met jaknikkers . De corruptie werd enorm.”

Kalyvas beaamt dat. „Met Papandreou zien we de opkomst van het populisme. Je kunt hem vergelijken met Juan Peron uit Argentinië.” Papandreou kon zo genereus zijn omdat er geld binnen bleef stromen uit Brussel. Alle drie vergelijken ze dat, los van elkaar, met de beruchte ‘vloek van de olie’: makkelijk geld waar je niet voor hoeft te werken. Belastingen zijn er niet voor nodig. „Het is wel schokkend om je te realiseren wat voor slecht effect de Europese Unie in dat opzicht heeft gehad’’, zegt Eleftheriadis.

Het werd een systeem dat de conservatieve partij Nieuwe Democratie dankbaar overnam toen zij aan de macht kwam. Georganiseerde belangengroepen dwongen concessies af. Bescherming tegen concurrentie bijvoorbeeld, waar nu volgens het derde memorandum iets aan moet gebeuren. Of 160 bijzondere pensioenheffingen voor de eigen groep. „Als je een rechtszaak aanspant, betaal je twee procent extra dat naar het pensioenfonds van de advocaten gaat”, zegt Koutras. „Koop je een tv, dan gaat een percentage naar het pensioenfonds van de journalisten.”

Hij verschilt met Eleftheriadis van mening over de positie van wat hier de oligarchen heten, een aantal steenrijke families. De laatste legt sterk de nadruk op centrale rol van de diaploki, het belangennetwerk waarin politici met hun controle over de banken en staatsopdrachten, en oligarchen met hun controle over de media gunsten uitwisselen. Koutras vindt de uithalen naar de oligarchen zoals die nu door Tsipras worden gedaan, een rookgordijn voor diens onwil om echt iets aan het cliëntelisme te doen. „Die families zijn machtig, maar in wezen maar één van de vele belangengroepen’’, zegt Koutras.

Kalyvas is het met hem eens. „Kijk naar de boeren die geen belasting betalen. De notarissen die een gesloten groep vormen. Er zijn veel van dat soort groepen, en daarom maken mensen zich ook nooit echt druk over allerlei stakingen en demonstraties. Ze dachten: dat is ook in ons belang, als zij nu een hervorming tegenhouden, kunnen wij het straks ook doen.”

De media spelen een sleutelrol in deze analyses. Eind jaren tachtig hebben zeven ondernemers simpelweg een aantal frequenties gepakt voor hun eigen particuliere tv-zenders, zegt Eleftheriadis. Ze speelden de publieke omroep helemaal weg. De meesten gebruikten die tv-zenders om hun eigen belangen te verdedigen. „In de praktijk staan die media volledig onder controle van de eigenaar”, zegt Eleftheriadis. „In een land waar negentig procent van de burgers zijn informatie via de tv binnenkrijgt, is dit een erg ongezonde situatie.”

Op hol geslagen trein

Europa wist dit allemaal wel, ergens, maar heeft er niet naar gehandeld, zeggen Eleftheriadis, Kalyvas en Koutras. De Task Force die bij de eerste twee hulpprogramma’s voor Griekenland hoorde en zich juist had moeten richten op structurele hervormingen, heeft weinig resultaat geboekt. „Gelukkig is er in het derde memorandum een betere koppeling tussen bezuinigen en hervormen’’, zegt Kalyvas.

Maar komt dat inzicht niet te laat en krijgt het wel genoeg prioriteit? Koutras is pessimistisch. „Het is een soort op hol geslagen trein. Ik weet niet of er genoeg krachten zijn om vertrek uit de eurozone te voorkomen. Als ik sommige mensen binnen Syriza hoor praten, denk ik aan een van mijn favoriete uitspraken van de militaire junta: ‘We staan aan de rand van de afgrond en door de revolutie hebben we een paar stappen vooruit gezet.’ ”

Dan vertelt hij het verhaal van zijn oom, uit de oorlog. Italië had Griekenland de oorlog verklaard en zijn oom moest naar het front. Al op de derde dag raakte hij gewond, granaatscherven. Hij werd met een groot aantal andere gewonden voor de tent gelegd die diende als een veldhospitaal. Er kwam een arts uit de tent, bleek van vermoeidheid, die de rij gewonden langsliep en zei, jij wordt geopereerd, jij ook, jij niet. De mannen die links en rechts van zijn oom lagen werden niet meer geopereerd, hij zelf had meer geluk. „Er moeten besluiten worden genomen die pijn gaan doen, die moeilijk zijn’’, zegt Koutras. „Zoiets moet nu ook in Griekenland gebeuren. Aanwijzen wat nog goed is, wat nog kan worden gered, en ook wat hopeloos verloren is. Maar zo’n soort leider, dat is Tsipras niet.”