Verschillen worden hier zo benadrukt

Indonesië is nu 70 jaar onafhankelijk en een levendige democratie. Maar bestuurders zijn onmachtig en het onderwijs is slecht. Een groep Indonesische dertigers zit bij elkaar en praat over de toekomst van hun land.

Foto Reuters

Onafhankelijkheidsdag vieren? Nee, daar doen de twintigers en dertigers aan de stamtafel van een stijlvolle brasserie in het zakendistrict van Jakarta niet aan. De straten van heel Indonesië, van brede boulevards tot de kleinste steegjes in de kampong, hangen vol rood-witte vlaggetjes, maar die doen Lani Maryanti (29) niks. „Geen emotie. Geen trots. Geen saamhorigheid. Voor mij is het betekenisloos”, zegt de 29-jarige bankier van etnisch Chinese komaf.

Vroeger was dat anders. „Toen Soeharto nog aan de macht was, deed iedereen zijn best de grootste nationalist te zijn”, vertelt Arif (30), werkzaam bij een grote Europese verzekeraar. Hij vertelt hoe op het platteland van Java waar hij vandaan komt op 17 augustus steevast een voetbaltoernooi werd gespeeld met naburige dorpen. „De hoofdprijs was nauwelijks iets waard, een paar geiten of zo”, zegt hij. „Maar iedereen was zo fanatiek. Er werd vals gespeeld door voor veel geld professionele voetballers vanuit bijvoorbeeld Afrika aan te trekken. Die sfeer is weg”, vertelt hij. De vraag of nog iemand aan Nederland en dekolonisatie denkt, levert vooral lege blikken op. „Misschien heel oude mensen”, zegt Lani, met veel twijfel in haar stem.

De ironie ontgaat de groep niet. Ik had ze uitgenodigd in het restaurant juist ter gelegenheid van de aanstaande onafhankelijkheidsdag. Aan tafel zitten tien twintigers en dertigers. Ze zijn slim, jong en hoogopgeleid. Af en toe spreek ik met ze af om te praten. Zij vinden het leuk te praten over hun leven, land, frustraties en ambities. Ik leer meer over hoe Indonesië werkt. Ik dacht dat een jubileumjaar zou aanzetten tot natuurlijke discussie over de toekomst, want er is reden om na te denken over de staat van Indonesië.

Zeven decennia na de onafhankelijkheidsverklaring is Indonesië uitgegroeid tot een levendige democratie, met een enorme bevolking (van 77 miljoen in 1945 naar 245 miljoen inwoners nu) en een economie die groot genoeg is om lid te zijn van de G20, de praatgroep van ’s werelds economische grootmachten. Tegelijkertijd leven honderd miljoen Indonesiërs nog steeds in armoede. Corruptie tiert welig en ongelijkheid neemt toe. Rijken worden snel rijker, armen blijven achter. Het onderwijsstelsel, het wegennet en de haven behoren tot de slechtste van Azië. Christenen, shi’ieten en andere religieuze minderheden krijgen steeds vaker te maken met geweld en intimidatie. De huidige generatie politici en bestuurders — mannen en vrouwen die zelden jonger zijn dan vijftig — lijkt onmachtig, waardoor het land stuurloos ronddobbert. Ik ben erg benieuwd hoe mijn praatgroep — je zou ze kunnen zien als de aankomende generatie zakenmensen, politici, bestuurders en intellectuelen — de problemen en mogelijke oplossingen ziet.

Voorzichtig neemt Rosa Situmorang het woord. Als je haar in een mantelpakje ziet, is Rosa een onberispelijk keurige consultant, maar in een mouwloos shirtje pronkt ze met een stoere felrode tatoeage van een roos op haar schouder. „Het probleem is dat de eenheid ontbreekt. Op school, in het nieuws, door politici, altijd worden de verschillen benadrukt. Jij bent moslim, ik christen. Jij bent Javaan, ik Batak. Jij bent arm, ik ben rijk. Die vorm van extremistisch >> >> denken is het grootste gevaar voor Indonesië”, zegt ze.

De groep is het ermee eens. Door de verschillen te benadrukken wordt Indonesië uit elkaar getrokken, ontbreekt een gevoel van solidariteit waardoor er te weinig samengewerkt wordt.

Solidariteit klinkt mooi, maar hoe werkt dat in de praktijk, in een land waar, bijvoorbeeld, sunnitische moslims met regelmaat botsen met christenen en shi’ieten, vraag ik. Arfian Agus (29), grote jongen met een vlasbaardje en kuiltjes in zijn wangen als hij lacht, wijst met een een priemende vinger naar Maya Safira (31). De borden beef wellington, gekonfijte eend en spaghetti zijn inmiddels leeg.

Maya is de enige vrouw aan tafel die een hoofddoek draag. Ze komt uit Banda Atjeh, de stad waar de sharia wordt ingevoerd. „Ja Maya. Wat vind jij?”, zegt Arfian uit Padang op Sumatra. Hij bekende net dat hij atheïst is geworden maar dat nooit tegen zijn ouders zal zeggen uit angst verstoten te worden.

„Ik vind dat mijn band met Allah persoonlijk is. Ik ben een alleenstaande moeder. Om mijn zoontje goed op te voeden heb ik een gids nodig. Dat is God. Ik put daar hoop uit”, antwoordt Maya. „Ik put liever hoop uit echte dingen, die bestaan en die ik vast kan houden”, schiet Arfian fel terug. Hij vervolgt: „Maar jij als moslim moet volgens de Koran en de hadith kwaad bestrijden. Wat vind jij dan van afvalligen? En van alcoholgebruik? Bikini’s op Bali?” Maya: „Er is ook een beginsel in de islam dat zegt: jouw geloof is jouw geloof en mijn geloof is mijn geloof. Ik wil dat iedereen in Indonesië die vrijheid heeft.”

In Atjeh waar jij vandaan komt is die vrijheid er niet, zegt iemand anders aan tafel. „Stel: je komt erachter dat je buren samenwonen, ongehuwd. Zou je ze aangeven?” „In Jakarta niet, in Banda Atjeh wel. Misschien. Ik weet het niet. De invoering van de sharia, het tegen elkaar ophitsen van mensen is in Indonesië allemaal politiek. Laten we het alsjeblieft niet over geloof hebben. Daar wordt niemand beter van”, zegt Maya, die in Duitsland heeft gestudeerd en nu voor de Duitse Kamer van Koophandel in Jakarta werkt.

De groep knikt en zwijgt ongemakkelijk. Het is een van de spaarzame stiltes in het gesprek. Wat verenigt Indonesiërs dan? Wat kan als basis dienen om gezamenlijk de toekomst tegemoet te gaan? Is er een gemeenschappelijke traditie of cultuur, vraag ik. Nee, zegt Lani, de etnisch Chinese bankier. Haar familie woont nog op Kalimantan, het Indonesische deel van Borneo. „Mijn moeder hecht veel waarde aan Chinese tradities. Ik heb haar verteld dat ik daar niet meer aan meedoe. Er is één uitzondering: ik verbrand met haar namaakgeld bij het graf van mijn vader. In onze cultuur betekent dat dat mijn vader het goed zal hebben in de hemel. Dat ligt zo gevoelig dat ik eraan meedoe”, zegt ze. „De generatie van onze ouders zag in cultuur en traditie een bron van wijsheid. Wij zien dat anders. Ik zie veel van de oude tradities, zoals bruiloften die drie tot zeven dagen duren met eindeloze ceremonies, als een toneelspel”, zegt Iqbal Sarasin (25), een gezette jongen met hipsterbril die in zijn vrije tijd bergen beklimt.

Ook de afgelegen eilanden

Volgens Lani is er maar één manier om Indonesië vooruit te helpen, om de kloven tussen eilanden, etniciteiten en inkomensniveaus te dichten, om van de toekomst een succes te maken: onderwijs. „Alleen als je op afgelegen en arme eilanden ook goed kan leren, zal Indonesië een succes worden”, zegt ze. Anderen knikken instemmend. Lani werkt nu nog voor een Singaporese bank, maar het is haar droom over tien jaar genoeg geld te hebben om een onderwijsstichting op te zetten. Anderen in de groep hebben meegewerkt aan een een uitwisselingsprogramma waarbij young professionals een tijd lesgeven in achtergestelde gebieden. Lani: „Alleen als meer jonge Indonesiërs kritisch leren denken,zal de toekomst een succes zijn.”

Kritisch denken, de term valt wel vijftien keer in het gesprek. „Voor de generatie van mijn moeder was het anders. Haar vader zei: als je met een ambtenaar trouwt, ben ik gelukkig. Ze zou dan een man hebben met een baan voor het leven en zeker zijn van een pensioen. Wij willen niet zozeer zekerheid, maar ook geluk en de ruimte om onze ambitie waar te maken”, zegt Iqbal.

Een rondvraag naar hun ambities levert mooie banen op. Iqbal wil graag directeur zijn van een groot bedrijf. „Het liefst in fast moving consumer goods, levensmiddelen en zo. Ik denk dat naarmate Indonesiërs rijker worden daar veel aan te verdienen valt”, zegt hij. Maar vooral wil hij mooie klimtochten maken. Er zitten, als hun dromen uitkomen, toekomstige mode-ontwerpers bij modemerken als Louis Vuitton, toplobbyisten, bankiers, filantropen, kunstenaars en musici aan tafel.

Arfian, de jongen die thuis niet durft te vertellen dat hij niet meer gelooft, heeft onlangs zijn baan bij een verzekeraar opgezegd. Hij is IT-ondernemer geworden. Zijn start-up moet online evenementen organiseren. „Ik heb ontslag genomen en ben begonnen. Mijn vader snapt dat niet. Hij zou eerst startkapitaal hebben verzameld. Als je mij vraagt waarom Indonesië wél een succes wordt is dat mijn antwoord: wij hebben lef en durven te doen.” <<