Verdwenen vaders

Veel Indonesische vrouwen knoopten tussen 1946 en 1951 relaties aan met Nederlandse militairen. Naar schatting drie- tot achtduizend kinderen werden zo verwekt.

Roos (onder) met moeder en zus. Op haar 24ste hoorde ze dat haar vader een Nederlandse marineman was. Foto uit familiealbum

Het nieuws dat Roos’ moeder haar op haar 24ste bracht, vlak voor haar huwelijk, deed haar niet zo veel. „Ik had al een vader”, zegt ze, „hij heette Huib en hij zorgde net zo goed voor mij als voor de anderen. Ik had totaal geen behoefte aan een andere vader.”

Roos’ biologische vader was niet Huib maar een Nederlandse marineman, vertelde haar moeder die dag. Hij werkte in het ziekenhuis in Soerabaya waar Roos’ moeder verpleegster was. Het deed Roos weinig. „Zo weinig dat ik zelfs vergat naar zijn naam te vragen.”

Vraag je haar nu waarom ze niets van haar vader wilde weten, dan antwoordt ze met een wedervraag: „Waarom wel? Hij had al die jaren niets van zich laten horen. Waarom zou ik hem dan wel zoeken?”

Dat veranderde toen haar huidige man, Rob, op zoek ging naar zijn vader. Ook Rob werd geboren in Nederlands-Indië, in 1946, en ook hij kent zijn vader niet. Met één groot verschil; de moeder van Roos was verliefd op ‘haar’ marineman, de moeder van Rob voelde alleen haat voor de Japanse militair die zich aan haar vergreep. „Ander verhaal”, zegt Rob en hij veegt over het blad van de eettafel alsof hij het verdriet er vanaf kan schuiven.

Via Rob ontdekte Roos de website ‘Oorlogsliefdekind’ – en ja, toen kwamen de verborgen emoties tevoorschijn. Ze ontdekte dat ze niet de enige was die verwekt was door een Nederlandse militair in Nederlands-Indië, tijdens de jaren van de revolutie. „Ik kon niet meer ophouden met lezen.”

Het gaat om drie- tot achtduizend kinderen, schat documentairemaker Annegriet Wietsma, oprichter van de website. Al is ze de eerste om te zeggen dat het natte-vingerwerk is. Samen met militair historicus Stef Scagliola schreef ze het boek Liefde in tijden van oorlog, over relaties tussen Nederlandse militairen en in Indië woonachtige vrouwen, tussen 1946 en 1951. Hun schatting is mede gebaseerd op het aantal kinderen dat werd verwekt door Duitse soldaten tijdens de Tweede Wereldoorlog, door Canadese bevrijders en door Amerikaanse soldaten in Vietnam.

De bevrijders

De situatie in Indië was diffuus. Voor mensen van Nederlandse of gemengde afkomst, Indo’s of Indische mensen, waren de militairen de bevrijder. Deze mensen waren veelal eerst door de Japanners geïnterneerd in kampen, en werden nu belaagd door bendes Indonesische jongens en nationalisten. Voor de Indonesische vrouwen, wier mannen en zonen vaak vochten in de revolutie, waren de Nederlandse militairen de bezetter.

Desalniettemin gingen vrouwen uit alle lagen van de bevolking relaties aan met de Nederlandse militairen, zegt Wietsma. „Indische, Molukse, Chinese en Indonesische vrouwen. Christelijke en islamitische vrouwen. Huishoudsters, kokkies, wasvrouwen. Meisjes van vijftien en moeders van vijfendertig.”

Het was te begrijpen, zegt ze. „Het land was ontredderd, maar zinderde tegelijkertijd van de adrenaline en de oorlogskoorts. En de Nederlandse militairen waren heel anders dan de Japanse soldaten. Als die langskwamen, op hun rooftochten naar troostmeisjes, verstopten de vrouwen zich. Maar voor de Nederlandse jongens, met hun bovenste knoop open en hun veters slordig gestrikt, waren ze niet bang.”

Er heerste een andere moraal, ook op seksueel gebied. Een militair zegt het als volgt in Liefde in tijden van oorlog: „Ze deed het totaal anders dan Hollandse vrouwen. Ze kronkelde zich als een slang om me heen. Na afloop maakte ze me schoon met doeken. Ik was helemaal verloren.”

Militaire leiding

De militaire leiding was niet blij met de seksuele escapades van ‘hun’ jongens en ook niet met de baby’s die uit de liefdesrelaties voortkwamen. Toen de biologische vader van Roos aangaf dat hij zijn verantwoordelijkheid wilde nemen, en dat hij wilde blijven om voor zijn vriendin en hun dochter-op-komst te zorgen, stelden zijn ouders de marineleiding op de hoogte en die greep in. De laatste keer dat Roos’ moeder en vader elkaar zagen, was door de tralies van het cachot. Niet lang daarna werd hij voor straf overgeplaatst naar Medan en daarna op een schip naar Nederland gezet. Eenmaal thuis zei zijn familie hem om de vrouw en hun kind te vergeten. Hij liet nooit meer iets van zich horen.

Roos’ moeder voedde het kind zelf op, met hulp van haar zus en een baboe. Ze wilde per se niet dat haar dochter naar een tehuis ging, wat regelmatig gebeurde in Indië met kinderen die voortkwamen uit Nederlandse ambtenaren, planters en militairen en lokale vrouwen. Roos’ moeder zelf, dochter van een Duits/Nederlandse vader en een Javaanse moeder, was op haar vijfde naar zo’n tehuis gebracht toen haar vader lepra kreeg.

Zij belandde in het tehuis van Johannes van der Steur, een Haarlemse zendeling die in 1893 was begonnen met de opvang van verwaarloosde kinderen. Tot zijn dood in 1945 ving hij naar verluidt zo’n zevenduizend kinderen op, die hem consequent ‘pa’ noemden en die zelf de bijnaam ‘Steurtjes’ kregen.

Het ging zeker niet om weeskinderen, zegt Vilan van de Loo, die dit voorjaar de biografie Pa van der Steur publiceerde. De Nederlandse vaders erkenden hun kinderen niet altijd; de moeders konden of mochten van de Europese machthebbers niet altijd voor hen zorgen. Maar, zo zegt Van de Loo: „Moeders brachten hun kinderen na de Eerste Wereldoorlog vooral in de hoop dat Pa van der Steur hen een Europese opvoeding zou geven – en daarmee een betere toekomst in de etnisch verdeelde maatschappij die Nederlands-Indië toen was.”

De moeder van Roos zat van haar vijfde tot haar achttiende in het tehuis, ook tijdens de Japanse bezetting. Roos: „Ze heeft zich regelmatig in de baden verborgen als de Japanners langs kwamen. Dan ademden zij en de andere meisjes door een rietje.”

Maar voor haar Nederlandse marineverpleger kende ze geen angst. Nadat Roos haar biologische vader had gevonden, hebben haar ouders elkaar nog drie keer gezien.