Straks zijn alle mooie plekken opgesoupeerd

Op de Otter Trail in Zuid-Afrika worden vijftien wandelaars per dag toegelaten. Zo wordt deze unieke plek beschermd. Dat moeten we ook met Amsterdam en de Camino van Santiago de Compostela doen, betoogt Herman Vuijsje.

Eigenlijk dacht ik gespaard te blijven. Het grachtje waar ik woon, ligt net buiten het Amsterdamse Wallengebied dat zucht en kraakt onder de toevloed van toeristen. Drollen op de stoep, misbaar van nachtelijke pub crawls, moeite om je eigen voordeur te bereiken – dat waren gruwelverhalen van de Wallen. Dat had ik toch maar mooi bekeken, monkelden vrienden die daar wonen. Wel de lusten, niet de lasten van de mooie binnenstad.

Dat had ik gedacht. Want de ongekend snelle toename van het aantal toeristen, en de door hen veroorzaakte overlast zoals die zich de laatste twee jaar voordoet, beperkt zich niet langer tot de Wallen. De shit rijst de pan uit. Dat werd me duidelijk toen ik de avond voor Koningsdag twee jongens aantrof die doodgemoedereerd in ons portiek stonden te pissen.

Natuurlijk, er waren al langer tekenen aan de wand - en dit voorval dwong me deze in te zien. Ook wij worden steeds vaker getrakteerd op de dreunende holamuziek en het bierglas- en barbecuegekletter op speedboats en open rondvaartboten.

Nog zoiets: de jeugdtoeristen die, hun benen bungelend boven de gracht en genietend van het echte Amsterdam-gevoel, de wallenkant in beslag nemen. Nou zeg, dacht ik als bevriende Wallenbewoners zich daarover beklaagden, wat is daar mis mee? Zo deden wij vijftig jaar geleden toch ook op de straatstenen van Dubrovnik en Béziers ons maal met meloen en camembert?

Maar wij zaten daar niet met een hele groep, niet met harde muziek en niet tot midden in de nacht. Wij zaten daar niet alsof die plekken onze rechtmatige huiskamers waren, met de bewoners als quantité négligeable.

Vorige week heb ik ze, hangend uit het raam, voor ’t eerst de huid vol gescholden : Hey! Put it down! There’s people living here, and sleeping children! Drie keer moest ik mijn steeds woestere kreten over de gracht laten schallen voor ze de knop wat lager draaiden.

Gaat Amsterdam Venetië achterna? Twee jaar geleden zond de VPRO de documentaire I love Venice uit, over de ‘verpretparkisering’ van die stad. Bewoners, behorend tot de stijfkoppen die het volhielden (sinds midden vorige eeuw is tweederde vertrokken) klaagden over onbetaalbaar geworden huizen: er was altijd wel een rijke Milanees of Rus die zo’n hebbedingetje aan een van de kanalen aanschafte om er een paar weken per jaar te verblijven.

Een man, zo’n prachtig wit geschminkte commedia dell’arte figuur, legde met falsetstem en grote gebaren uit waar je misschien nog een pak melk kon krijgen: bij de Versace rechtsaf, dan links, naar Prada. Voorbij de Gucci. „Misschien zit daar een kruideniertje. Als ’ie niet is overleden.”

De film liet ook kwaaie Venetianen zien die het, net als ik, in machteloze woede op een schreeuwen zetten. „Donder op! Jullie zijn te groot! Ga weg”, riepen ze tegen een gigantisch cruiseschip in de lagune. Dat was niet helemaal overtuigend - en niet alleen omdat ze het van een paar honderd meter afstand riepen, en bovendien in het Italiaans. Ook omdat je je kunt afvragen wat de Venetianen zelf hebben bijgedragen aan de verpretparkisering van hun stad. En hoeveel ze eraan hebben verdiend.

Die ongemakkelijke vraag laat zich voor Amsterdam nog scherper stellen. Bij ons gaat het immers niet alleen om de cultureel geïnteresseerde toerist. Wij w lokken, anders dan Venetië, ook het drugs-, sex- en lawaaivolk. Er worden dit jaar 375 festivals in de stad georganiseerd, waarmee ook de buitenwijken het geraas voor hun kiezen krijgen. Intussen heeft de gemeente project 1012, dat de binnenstad aantrekkelijker moest maken voor ‘kwaliteitstoeristen’, op een zacht pitje gezet.

Er is nog een andere, ongemakkelijke waarheid die zich aan me opdrong bij het zien van die Venetiaanse film. Wat heb ik zelf bijgedragen aan de toenemende populariteit van de mooiste plekken van de wereld - en daarmee aan hun ondergang? Als reizend journalist behoorde ik tot de voorhoede van de grote stroom bezoekers. In 1969 was ik bij het carnaval in Rio (en merkte toen al dat veel inwoners bij die gelegenheid de stad ontvluchtten). In 1987 nam ik een slow boat van Tahiti naar het atol Rangiroa. En in 1989 maakte ik de pelgrimstocht van Santiago de Compostela.

Natuurlijk was ik niet de eerste die boeken en artikelen schreef over deze unieke, met mythische verhalen omklede plekken. In de universiteitsbibliotheek van Auckland, waar ik me in 1987 voorbereidde op mijn bezoek aan Polynesië, stuitte ik op een hele rij liefdesverklaringen van schilders, schrijvers en andere zonderlingen die daar in het voetspoor van Gauguin (1891) waren neergestreken om, in innige aanraking met de authentieke cultuur, in de zon te zitten.

De meeste van hun geboekstaafde lofzangen waren in journaalvorm geschreven. „Vandaag poseerde Ma Iva voor het nieuwe schilderij dat ik heb opgezet. De boot kon niet landen vanwege de hoge golven, dus geen post. Weinig last van mijn lever gehad.”

Een belangrijk thema is altijd de verkrachting van de oorspronkelijke cultuur door de blanke horden, waartoe ook de auteur behoort, al denkt hij daar liever niet aan.

Ook deze auteur, moet ik bekennen. Een paar jaar geleden maakte ik een zeiltocht langs de Grenadines, een van de meest idyllische eilandengroepen van het Caraïbisch gebied. Vooral op de Tobago Cays had ik me verheugd: verder dan deze afgelegen landsnippers, alleen bewoond door zeeschildpadden, kon je ter wereld niet komen, leek me.

Maar toen we voor anker gingen in de lagune van Horseshoe Reef, waren we niet alleen. Zeker honderd zeiljachten omringden ons, parlevinkers stoven heen en weer, boven ons cirkelden vliegtuigjes en uit hun krachten gegroeide catamarans met dagjesmensen voeren af en aan.

Een enorm cruiseschip verscheen en zette landingsvaartuigen uit die een invasie op het strand uitvoerden, waar bewoners van het nabijgelegen eiland T-shirts en posters verkochten. Spaans sprekende mannen in Caraïbische pakjes, ongetwijfeld goedkope Mexicaanse arbeiders van de cruisemaatschappij, brachten een barbecue in gereedheid. Daarna kwamen de passagiers, die ik in mijn dagboek omschreef als „grote knauwende vleesbubbels, roze en bleek, duidelijk gisteren ingevlogen”.

Zo voegde ook ik me in het koor van elitair-romantische jammeraars, die blijkbaar wel mogen wat anderen niet geoorloofd is. Ontkennen kan ik het niet en evenmin kan ik beloven dat ik voortaan thuis blijf of alleen oninteressante plekken zal bezoeken.

Hoort deze toevloed dan bij de onoplosbare gevolgen van globalisering die we voor lief moeten nemen?

Een bijzondere plek die letterlijk onder de voet dreigt te worden gelopen, is de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela. In 1989, toen ik zelf de tocht ondernam, arriveerden er krap 6.000 pelgrims in Santiago. In 1998 waren het er 30.000, in 2009 bijna 150.000 en dit jaar wordt het kwart miljoen waarschijnlijk overschreden.

Voor de authentieke pelgrimservaring kan deze toevloed niet bevorderlijk zijn. De massaliteit staat op gespannen voet met de stilte, eenzaamheid en inkeer die pelgrims zoeken. Bovendien nodigt hij uit tot allerlei commerciële neptoestanden die de wandelaar toch nog dat echte oude pelgrimsgevoel moeten geven.

Zelfs de locals gaan daar soms in geloven. Ergens langs de route vertelde een gastenpater me ontroerd over een groep échte pelgrims die bij hem had overnacht: „Twintig Fransen in de klassieke pelgrimsuitrusting, met staf en kalebas. Er waren medici bij en een televisieproducent. Ze hadden hun bagage in een auto met chauffeur.” Pelgrims als acteurs in een hyperreality, een nagespeelde werkelijkheid. De Camino de Santiago als gekunstelde evocatie van iets dat in feite niet meer bestaat.

Het was nu nog slechts een kwestie van tijd, dacht ik, voordat er een levensgrote afbeelding van Sint-Jacobus aan de gevel van de kloosters langs de route zou komen te hangen en er na iedere mis een welgemeend applaus zou opklinken.

Een paar jaar geleden was ik opnieuw in Santiago en zag voor het kantoortje waar je je Compostela moet afhalen, het officiële getuigschrift dat je het gehaald hebt, een rij. Die ging om de hoek, en ging daarna nóg een hoek om.

Ik merkte ook iets anders op. Niet alleen was het aantal pelgrims gegroeid, ook de samenstelling van de stroom pelgrims was veranderd. In 1989 kwamen praktisch alle pelgrims, net als in de middeleeuwen, in grotere of kleinere groepjes aanzetten. Nu schatte ik dat een kwart tot eenderde in z’n eentje onderweg was.

Het leek wel een optocht met een vaste voorgeschreven tussenruimte, zoals meeuwen op het dak een bepaalde afstand tot elkaar in acht nemen, waarvan de grootte afhankelijk is van het aantal vogels. De wandelaars bewaakten fanatiek hun Alleingang.

De reden laat zich makkelijk raden: de individualisering zet ook door op het gebied van geloof en bezinning. Na duizend jaar collectief voortstappen wordt de Camino een persoonlijke onderneming. Daarmee sluit de tocht naadloos aan op de huidige tijdgeest, gericht op zelfontplooiing en ‘bijzondere belevenissen’.

Tegelijk lopen al die individuele mensen, met hun individuele mensenwensen, wél dezelfde route. Met een aan de marketingwereld ontleend begrip kun je dat ‘massa-individualisering’ noemen. Steeds meer mensen ontwikkelen, ieder op eigen houtje en naar eigen voorkeur, hetzelfde idee.

Dat is de paradox van de nieuwe drukte op de Camino.

Ook de Tobago Cays, Venetië, Amsterdam en de andere hier besproken plekken staan bloot aan dat proces van massa-individualisering. Al die bezoekers komen omdat ze ieder voor zich hebben bedacht dat daar iets unieks te ervaren valt: het gevoel even deelgenoot te zijn van de wereldgeschiedenis, of van een nergens geëvenaarde menselijke prestatie.

Intussen doet dat ‘zachte’ belevingsaspect een harde waarheid licht vergeten: it’s the economy! Al die plekken worstelen met het dilemma tussen behoud van authenticiteit en commerciële uitbating. Probeer maar eens nee te zeggen als de hele wereld zwaaiend met bankbiljetten voor je deur staat. Maar dat betekent ook dat we, als we naar oplossingen zoeken, eveneens in termen van vraag en aanbod moeten denken. De plekken waar we het over hebben, zijn schaars in absolute zin: er is ter wereld maar een zeer beperkte hoeveelheid van beschikbaar, die wel kan verminderen maar nooit kan worden aangevuld.

„Hoe je ’t wendt of keert, er is maar één Groot-Mokum”, zong Johnny Jordaan al. Daar doen die nep-Amsterdams in Chinese en Japanse pretparken niets aan af. Dat vinden de Japanners en Chinezen zelf ook, want dankzij hun welvaartsniveau en goedkope vliegtarieven komen ze en masse opdagen om het échte Amsterdam te bekijken.

Op den duur moeten we de toegang tot deze absoluut schaarse goederen dan ook in economische termen bezien. Wordt deze toegang aan de vrije markt overgelaten, dan worden die goederen óf heel duur, óf het voorwerp van ‘roofbouw’. Dan worden ze uiteindelijk opgesoupeerd en verdwijnen ze.

Wanneer essentiële levensbehoeften schaars zijn, zoals voedsel in tijden van oorlog of hongersnood, zal de overheid ingrijpen en zorgen voor een zo eerlijk mogelijk verdeling door middel van quotering en distributie. Dat geldt ook voor een schaars goed dat in publieke handen is, maar dat door een ongebreidelde toegang in zijn voortbestaan wordt bedreigd. Een mengsel van prijsmechanisme en quotering brengt dan uitkomst.

Op die manier wordt bijvoorbeeld het kwetsbare ecosysteem van het Cradle Mountain National Park in Tasmanië beschermd. Je kan daar een unieke zesdaagse wandeltrektocht maken, de Overland Track, maar er mogen niet meer dan 34 wandelaars per dag vertrekken, die bovendien 185 euro ‘toegang’ moeten betalen. Op de vijfdaagse Otter Trail in Zuid-Afrika worden zelfs maar twaalf wandelaars per dag toegelaten – de wachttijd loopt op tot een jaar. Om het voortbestaan van een plek te garanderen, beknibbelt men dus op het openbare karakter.

Is dat erg? Welnee. Kijk eens naar het Anne Frank Huis, waar het aantal toegelaten bezoekers ook aan strenge beperkingen is gebonden. In het hoogseizoen maakt de wachtrij een rondje om de Westerkerk – de wachttijd loopt soms op tot een paar uur. Het is er gezellig, de rij is geen vervelende hindernis; zij spant de verwachtingen! Het Achterhuis vraagt niet om achteloosheid, maar om geduld. Dat, precies, moesten de onderduikers opbrengen: eindeloos veel geduld. Wachten in de rij getuigt van een bepaald soort toewijding. ‘Longest queues in town’ – zo prijst de Time Out- reisgids het Anne Frank Huis dan ook aan.

Beroemdheden delen ook graag in die toewijding. Bob Dylan zorgde in de jaren zeventig voor gegil onder medewerksters toen hij ineens het huis binnenliep. Steven Spielberg wachtte eveneens rustig op zijn beurt. Meryl Streep werd door een attente medewerker in de rij ontdekt, maar wilde van geen bijzondere behandeling weten. En zo stond ook prinses Máxima ineens voor de kassa. Met kinderwagen, haar ouders en een beveiligingsman.

Het lijkt er sterk op dat het verblijf in de rij een eigenstandige attractie is geworden, een ervaring op zich. Het is een prima gelegenheid om ervaringen uit te wisselen – met alle mooie gevolgen van dien. Elk jaar ontvangt het Anne Frank Huis wel een aankondiging van een huwelijk, met dank aan ‘de rij’. Quotering werkt dus ook als een zeef: alleen de echt geïnteresseerden hebben het ervoor over, een vorm van spontane selectie aan de poort.

Maar als het nu niet gaat om zeldzame diersoorten of om de kwetsbare vertrekken van het Achterhuis, maar om de binnensteden van Venetië, Barcelona en Amsterdam? Het grapje ‘Hoe laat gaat Amsterdam dicht?’ zal niet altijd een grapje blijven. Uiteindelijk komen we voor de vraag te staan of we ook de openbare toegang tot deze plekken niet moeten gaan beperken door een vorm van regulering, met als gunstig bijeffect dat de werkelijk betrokken en gemotiveerde bezoekers overblijven.

Vrije toegang is in een geglobaliseerde wereld een illusie. Dat geldt ook voor de toegang tot unieke en kwetsbare plekken.