Seks op kannen en kruiken

1.500 jaar oud aardewerk van de Moche uit Zuid-Amerika heeft vaak de vorm van vrijende mensen, skeletten en dieren. Nagenoeg alle penetraties zijn anaal, zelden vaginaal.

Illustratie Arjen Born

De Moche (of Mochica) zijn allang verdwenen, maar ze hebben een onuitwisbare indruk nagelaten. Dit militaristische volk beheerste in de eerste zeven eeuwen van de huidige jaartelling, dus lang voordat het Incarijk ontstond, het noordelijke kustgebied van Peru, rond het huidige Trujillo. Ze waren niet alleen geduchte krijgers, maar ook bekwame bouwmeesters. De Huaca del Sol (piramide van de zon), die in de zestiende eeuw door plunderende Spanjaarden gedeeltelijk is verwoest, is het grootste bouwwerk van adobe (ongebakken, in de zon gedroogde stenen) van de hele Andes.

Moche-pottenbakkers, een beroepsgroep met hoge status, produceerden het mooiste aardewerk van precolumbiaans Amerika. Op fraai gestileerde en beschilderde potten, schalen en kruiken gaan goden, mensen en dieren op jacht; trekken ten oorlog; begroeten vorsten, begraven doden of genezen zieken. Op zo’n 2 procent van de ongeveer 18.000 uit collecties bekende stukken doen zowel levende mensen, dieren als doden aan seks. Het gaat meestal om functioneel aardewerk met kamers voor vloeistoffen en met schenktuiten, vaak in de vorm van een penis. Of het zijn gebeeldhouwde figuurtjes die druk in de weer zijn met hun handen, tepels, geslachtsdelen, mond en tong.

Het erotische Moche-aardewerk laat een grote variatie aan seksuele handelingen zien. Vrouwen die mannen afzuigen, kussen of betasten; mannen die zich aftrekken; mannen die vrouwen in uiteenlopende standjes – vooral anaal – penetreren; vrijende skeletten, copulerende kikkers, muizen, honden, lama’s, en ook vrouwen die seks hebben met mythische dieren.

De Amerikaanse seksuoloog Alfred Kinsey, ‘vader van de seksuele revolutie’, zag dit erotische aardewerk voor het eerst tijdens een reis naar Peru in 1954 en was meteen enthousiast. Hij beschouwde ze als een ‘complete en realistische catalogus’ van de seksuele gebruiken van het Moche-volk, ‘niet beïnvloed door joods-christelijke opvattingen’. De man die Kinsey naar Peru haalde, de verzamelaar van precolumbiaans aardewerk Rafael Larco Hoyle, zag het anders. Hij beschouwde deze, in zijn ogen immorele, afbeeldingen als waarschuwingen (‘sex kills’).

Intrigerend is dat de seksuele variaties die we te zien krijgen, niet tot bevruchting leiden. Nagenoeg alle afbeeldingen van penetraties zijn anaal, zelden vaginaal. Dat is goed te zien, want geslachtsdelen worden weergegeven tot in anatomische details. Om die reden zien sommige antropologen dit aardewerk als aanschouwelijke anticonceptie. Maar als we ons realiseren dat deze potten en kruiken zijn gevonden in (of zijn geroofd uit) graftomben van de Moche-elite, ligt het niet voor de hand te denken aan voorlichtingsmateriaal.

Er zijn nog meer raadsels. Wat te denken van een stel dat seks heeft terwijl de vrouw een baby de borst geeft? Of van vrouwen die skeletten met gigantische penissen aftrekken? Moche-humor? De Amerikaanse antropologe Mary Weismantel (Northwestern University) deed een poging tot interpretatie in American Anthropologist (september 2004).

De talrijke anale penetraties afgebeeld op het Moche-aardewerk suggereren volgens Weismantel een andere kijk op de rol van de man bij het verwekken van kinderen. Samenlevingen denken heel verschillend over voortplanting. In 1929 vroeg de Poolse antropoloog Malinowksi aan een bewoner van de Trobriand-Eilanden bij Nieuw-Guinea of hij niet boos was dat zijn vrouw een kind had gebaard terwijl hij twee jaar was weggeweest. De man begreep de vraag niet. Volgens Trobrianders speelt de man geen rol bij de voortplanting. Kinderen komen van voorouderlijke geesten die drijven op zee; zij bevruchten vrouwen van hun eigen matrilineaire clan bij het baden.

Gilbert Herdt (Guardians of the Flutes, 1981) beschrijft geheime ceremonies in het mannenhuis van de Sambia, in het oostelijke bergland van Nieuw-Guinea, waarbij jonge jongens oudere mannen afzuigen. Dit ritueel is niet gericht op het gerief van oude mannen, maar op voortplanting. Kinderen, denken de Sambia, groeien alleen op tot volwassenen, die op hun beurt kinderen kunnen krijgen, als zij het zaad van oude mannen drinken. Het menselijke voortplantingspotentieel zit in het onsterfelijke vocht in sperma en moedermelk. En dat vocht moet fysiek worden doorgegeven van de ene generatie op de andere. Oudere mannen geven het via fellatio aan jongere mannen, die geven het weer door aan hun vrouwen, die het doorgeven aan hun baby’s.

De buren van de Sambia, de Kaluli, hadden soortgelijke opvattingen over anale seks. Voor Sambia en Kaluli zijn orale en anale seks, zowel tussen mannen als tussen mannen en vrouwen, een belangrijke voortplantingsdaad, ook al leidt die niet tot de versmelting van ei- en zaadcel.

De Moche-voorstellingen zouden ook zo uitgelegd kunnen worden, maar voortplantingstheorieën van de oude Andesculturen zijn slecht beschreven. Weismantel kijkt daarom naar denkbeelden bij naburige Amazoneculturen. Vaderschap komt daar neer op helpen voeden: de man voedt de ongeboren vrucht met telkens nieuw zaad en het pasgeboren kind na het zogen door de moeder met vast voedsel uit tuin of bos. Het merkwaardige triootje dat we zien op sommige Moche-potten – een man die een vrouw anaal neemt terwijl zij een baby de borst geeft – suggereert een cyclus, denkt Weismantel, waarbij leven brengend vocht wordt doorgegeven.

Een interessante gedachte, maar deze anale seks kan evengoed zijn ingegeven door een taboe op vaginale penetratie in de eerste maanden na de geboorte. Het blijft raadselachtig.

We zien nóg een terugkerend thema op de Moche-potten: seks met skeletten. Het allermooiste aardewerk werd gebruikt als grafgift voor hooggeplaatste doden en speelde een rol in de verering van de belangrijkste figuur in precolumbiaanse religies: de voorouder. Pas na zijn dood kon iemand het toppunt van sociale, politieke en culturele invloed bereiken, als voorwerp van verering en ontvanger van offergaven. De voorouder oefende macht uit met zijn grenzeloze vruchtbaarheid: leven, gezondheid en overvloed stroomden van de doden naar de levenden. Dat alles kon weer worden afgenomen als de voorouderlijke gunst niet voortdurend werd gecultiveerd met rituele handelingen. En dat zien we, schrijft Weismantel, in de afbeeldingen van vrouwen die een skelet masturberen, want het geraamte is de leven brengende voorouder.