‘Op de vlucht neergeschoten’

Extreem geweld door Nederlandse militairen tegen Indonesiërs in de jaren 1945-’50 was uitzonderlijk, luidt het officiële oordeel al decennia. Pas nu heeft een historicus de archieven en persoonlijke getuigenissen grondig doorgelicht op ‘excessen’. Hij stelt als eerste dat wandaden tegen Indonesiërs geen uitzondering waren, maar structureel voorkwamen.

Een Nederlandse marinier grijpt een Indonesische strijder bij Drioredjo op Oost-Java, tijdens de guerrilla die doorging na het eind van de eerste Politionele Actie (5 augustus 1946). foto NIMH

Op een zondagmorgen in 1948 wordt een legertruck vol militairen van de Koninklijke Landmacht op weg naar een kerkdienst op Java beschoten. Een soldaat krijgt een schot door het hoofd. Wat er dan gebeurt, beschrijft Louis Sinner, een van de militairen in de vrachtauto in een persoonlijke getuigenis die zich in het Nationaal Archief bevindt. „De commandant, majoor Van de Leede, pakte de kaart en een passer, prikte de passer in de coördinaten van het schietincident, trok een cirkel en drie compagnies transformeerden alles binnen die cirkel in Sodom en Gomorra. Wat daar gebeurde was pure wraak, en erger dan Putten [in 1944 toneel van een Duitse wraakactie onder burgers na een aanslag door het verzet].”

Het is een van de vele gevallen die de Zwitsers-Nederlandse historicus Rémy Limpach tijdens zijn promotieonderzoek naar het Nederlandse militaire optreden in Indonesië 1945-’50 onder ogen kreeg. Dat het afscheid van ‘ons Indië’ zeer gewelddadig was, is geen nieuws. Als ambtenaar van Justitie schreef historicus Cees Fasseur in 1969 de zogeheten Excessennota, een in grote haast en op last van de regering opgestelde inventarisatie van ‘excessen’ die in regeringsarchieven voorkwamen.

Al een jaar later stelden de sociologen Van Doorn en Hendrix in Ontsporing van Geweld vast dat de 110 gevallen uit de nota slechts het topje van een ijsberg vormden. In de media duiken al decennia lang getuigenissen, foto’s en archiefstukken op die verwijzen naar extreem geweld, zoals de foto’s van executies in de Volkskrant in 2012. Ondanks al die publicaties werd de kernvraag nooit geraakt: hoe structureel was het extreme militaire geweld in Indonesië? Waren het inderdaad uitzonderingen, ‘excessen’, of zat er een systeem achter dat geweld in de hand werkte?

Limpach is de eerste historicus die overheidsarchieven en persoonlijke getuigenissen zoals dagboeken en soldatenbrieven daar grondig op analyseerde. Limpach is verbonden aan het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), het kennisinstituut van Defensie in Den Haag. Hij hoopt volgende maand aan de universiteit van Bern te promoveren, maar de belangrijkste conclusies van zijn proefschrift zijn al te lezen in een bijdrage aan de onlangs verschenen wetenschappelijke artikelenbundel Colonial Counterinsurgency and Mass Violence; The Dutch Empire in Indonesia (Routledge). Ze zijn stevig: „Het Nederlandse leger doodde en mishandelde Indonesiërs”, ongewapende mensen welteverstaan, „regelmatig en op grote schaal, meestal buiten onmiddellijke gevechtsacties”.

Limpach rekent eerst af met een terminologie die al decennialang onze blik op de werkelijkheid verhult. „De eufemistische term ‘exces’ werd bewust gekozen om te suggereren dat geweld niet systematisch was of op grote schaal voorkwam”, zegt hij. „En ook om gevoelige vergelijkingen met Duitse oorlogsmisdaden te vermijden.” Maar extreem geweld was geen uitzondering, concludeert Limpach; het kwam op grote schaal voor. Daarom introduceert hij een term die de lading van zijn onderzoek dekt: ‘structureel geweld’.

Vrienden verraden

Het voorbeeld van veteraan Sinner en het Gelderse Putten – waar bijna zevenhonderd mannen en jongens werden afgevoerd, van wie er 500 in een concentratiekamp stierven – is niet toevallig gekozen. Al kwam de meerderheid van de veteranen niet in aanraking met extreem geweld, en ligt het daarom extra gevoelig, toch maakten Nederlandse militairen zelf erg vaak vergelijkingen met Duits optreden, aldus Limpach. Zo citeert hij een brief van een militair van de Koninklijke Landmacht uit 1949 aan zijn vrouw in Nederland: „Je hebt hier een inlichtingendienst die mensen arresteert die verdacht worden van spionage of verzet, op zich niet zo erg, maar nu moeten ze hun vrienden gaan verraden, net zoals thuis ten tijden van de moffen met de SD.”

Historici noemden het extreme geweld niet eerder „structureel”. De publicaties over ‘excessen’ zijn op een hand te tellen en gaan vooral over de oorzaken van geweld: naast bovengenoemde werken zijn er nog De Zuid-Celebes affaire van Willem IJzereef uit 1986 en Last van de oorlog. De Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië en hun verwerking van historica Stef Scagliola uit 2002. Lou de Jong haalde zich in 1988 de woede van veel veteranen op de hals met de term „oorlogsmisdrijven” in de conclusies van zijn magnum opus, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, die hij vervolgens schrapte.

Limpach is de eerste die gedetailleerd onderbelichte of onbekende gevallen van extreem geweld beschrijft. Hij ging na of ze in de doofpot verdwenen, dan wel bestraft werden. En hij keek naar de oppositie die van militairen kwam tegen dat geweld, omdat ook dat een indicatie is voor de omvang ervan.

Limpach meent daarom te kunnen stellen dat buitenrechtelijk geweld in de duizenden gevallen liep. Meerdere van de gevallen die hij in de overheidsarchieven vond staan niet in de Excessennota. Bijvoorbeeld een grote verkrachtingszaak op Bali, waarover deze krant eerder schreef.

Hoewel het grootste gedeelte van in de doofpot gestopte gevallen in niet-officiële egodocumenten te vinden is, putte hij bij zijn onderzoek ook uitvoerig uit archieven van militaire justitie en de civiele juristen Van Rij en Stam. De twee kregen in 1949 de regeringsopdracht om de massa-executies in Zuid-Celebes, gepleegd door Nederlandse troepen onder leiding van kapitein Raymond Westerling, te onderzoeken.

Gestolen fiets

Minder bekend is dat Van Rij en Stam ook gegevens verzamelden over twintig andere ernstige moordzaken. Zoals een geval van extreem geweld nabij het vliegveld van Tjililitan buiten Batavia. Daar werden tussen 1946 en 1948 minstens twintig ‘verdachte’ Indonesiërs geëxecuteerd en in een put gegooid op last van Henri Schrijver, een sergeant-majoor van het KNIL (koloniale leger), die van zijn meerderen bewust de vrije hand kreeg.

De zaak kwam toevallig aan het licht, omdat de vader van een van de slachtoffers een Nederlandse militair meer dan een jaar later op de fiets van zijn zoon voorbij zag rijden. Het is maar één van vele typerende voorbeelden van niet-gerapporteerde zaken, schreven Van Rij en Stam.

Opvallend genoeg waren veel van die gevallen volgens Limpach geïnspireerd op het ‘succes’ van de ‘methode Westerling’. Een voorbeeld zijn de zogeheten Malang-moorden op Oost-Java, op 2 en 5 maart 1949. Door gebrek aan mankracht droeg landmachtkolonel H.J. Krönig luitenant-kolonel A.F.L. Maris van het KNIL op om Indonesische gevangenen uit de Lowokwaroe-gevangenis in Malang te laten halen en te vermoorden, om zo een afschrikwekkend voorbeeld te stellen. Dat was volgens de twee commandanten een taak voor het KNIL, want de Landmacht was daarvoor „minder geschikt”. Zestien gevangenen werden doodgeschoten.

De zaak kreeg bekendheid doordat de vader van een van de Indonesische slachtoffers een klacht indiende bij de autoriteiten. Ook getuigden andere gevangenen bij een medewerker van het Internationale Rode Kruis over martelingen in de gevangenis en het verdwijnen van arrestanten. De militaire justitie kreeg de zaak onder de aandacht. In het patrouillerapport stond dat de gevangenen „op de vlucht” waren neergeschoten. Maar het feit dat een groep lijken nog geboeid was, haalde die verklaring onderuit. „Ik hoop dat jullie het niet te moeilijk gaan maken voor onze troepencommandant?”, schreef het legercommando vervolgens aan militaire justitie. Ondertussen bleek een schuldbewuste Ambonese militair die belast was met de executies zelfmoord te hebben gepleegd. Pas toen gaven Krönig en Maris toe dat er onrechtmatig was gehandeld.

Limpach stelt vast dat niet alleen het martelen en vermoorden van gevangenen structureel voorkwam, maar ook het falen van de bestraffing. Net zoals Westerling vrijuit ging, ontsprongen ook Krönig en Maris de dans, zelfs nadat eind 1949 bekend was dat ze hadden geprobeerd de feiten te verdonkeremanen. Hoge militair-juridische autoriteiten vergeleken de moorden in Malang met Duitse oorlogsmisdaden maar besloten toch wegens „politieke gevoeligheid” dat de actie een „militair noodgeval” was. En dat was geen uitzondering; autoriteiten stopten moord, verkrachting en plundering volgens Limpach systematisch in de doofpot.

Cultuur van rechteloosheid

Dat Limpach namen noemt, is nieuw. De Excessennota en het werk van Van Doorn en Hendrix zijn volledig geanonimiseerd. Daardoor krijgt het geweld geen gezicht en wordt niet naar verantwoordelijkheid verwezen. Limpach legt de vinger op specifieke handelingen van autoriteiten. In de ‘Zuid-Celebes-affaire’ maakten de militaire en civiele top duizenden onrechtmatige executies mogelijk. Hij wijst, explicieter dan IJzereef, naar de verantwoordelijkheid van procureur-generaal Hendrik Willem Felderhof. Deze bij het publiek grote onbekende was wel degene die het structurele geweld als juridische topman in Batavia legitimeerde, waardoor het mogelijk werd dat ongewapende Indonesiërs werden vermoord en ernstige misdrijven zoals de massamoord bij het dorp Rawagadeh in 1947 werden geseponeerd.

Dat er tijdens de dekolonisatie van Indonesië een „cultuur van rechteloosheid” ontstond waarbij men eigen rechter kon spelen, is volgens Limpach dus ook terug te voeren op de verantwoordelijkheid van hooggeplaatste functionarissen zoals Felderhof en generaal Spoor, de legercommandant.

Dat is een belangrijke stap in de maatschappelijke discussie waarin tot op heden weinig op concrete verantwoordelijkheden is gewezen. In de Excessennota wordt gesteld dat het vooral Jan Soldaat was die verantwoordelijkheid droeg voor het ontsporen van geweld. Maar volgens Limpach leidt dat af „van de echte oorzaken en problemen die het geweld veroorzaakten, waarvan vele in de militaire structuur zelf geworteld zaten”.

Dat geldt ook voor het aanwijzen van Indonesische terreur als oorzaak, zoals de Excessennota doet. Het geweld van Westerling op Zuid-Celebes wordt verklaard als noodzakelijke „contraterreur” tegen Indonesisch geweld. Limpach vindt die term misleidend. „Het verhult dat Nederlandse troepen in diezelfde periode zelf ook regelmatig ongewapende Indonesiërs martelden en doodden.”

Demoniseren van de vijand

Wat militairen persoonlijk motiveerde om over te gaan tot extreem geweld is in 2002 beschreven door Scagliola (Erasmus Universiteit) in Last van de Oorlog. Zij pleitte als een van de eersten voor het gebruik van persoonlijke getuigenissen van veteranen in onderzoek. Als factoren die geweld bevorderden noemt ze onder meer: het demoniseren van de vijand met propagandistische termen als ‘terroristen’, maar ook de angst en onervarenheid, en de opwinding die het toepassen van geweld met zich meebracht. Voor KNIL-militairen speelden de trauma’s opgelopen in Japanse krijgsgevangenschap mee, en wraakgevoelens als gevolg van de zogeheten Bersiap-periode, toen Indonesiërs als reactie op de terugkeer van de koloniale regering duizenden Indische Europeanen, Chinezen en Nederlanders vermoordden.

Limpach voegt daar racisme als oorzaak aan toe, iets wat andere historici nauwelijks bespraken. „Zoals in andere koloniale samenlevingen, vormde een raciale hiërarchie het kernpunt. Dat had logischerwijs een enorme impact op de troepen die de archipel binnenkwamen.”

Scagliola daarover: „Ik had daar in 2002 niet zo veel oog voor. Ik volgde de lijn die historici tot dan toe volgden: afstand en begrip en vooral geen commotie veroorzaken.” Het gewelddadige karakter van het koloniale bestuur werd überhaupt pas in datzelfde jaar door hoogleraar Henk Schulte Nordholt expliciet benoemd: Nederlands-Indië was een gewelddadige politiestaat.

Radicale traditie

67 jaar na het uitroepen van de onafhankelijkheid van Indonesië, in 2012, pleitten drie historische instituten, waaronder Limpachs NIMH, voor het eerst bij de regering voor grootschalig onderzoek. Dat werd vervolgens niet gehonoreerd. Het is nu de Zwitserse Universiteit Bern die ons met een enkel promotieonderzoek aan deze nieuwe inzichten helpt. Scagliola: „Het ontbreekt Nederland aan een radicale intellectuele traditie. Historici zijn hier heel erg voorzichtig geweest.” Is het ei dan nu eindelijk gelegd over ons optreden in Indonesië? Scagliola: „Nee, er is veel dat we nog niet weten, bijvoorbeeld hoe inlichtingendiensten functioneerden of hoe de interactie met Indonesisch geweld verliep.”

Maar het werk van Limpach vult wel een groot gat op. Door het ontbreken van een feitelijk fundament dat historisch houvast geeft, bleven vele nieuwe journalistieke vondsten in het luchtledige hangen. Eerst grote ophef en morele verongelijktheid om vervolgens in de vergetelheid te belanden. Of meer feitenkennis daadwerkelijk zal leiden tot erkenning van de daar gepleegde misdaden, valt nog te bezien. Het werk van Limpach lijkt daartoe een belangrijke stap.