Nederland moet Indonesisch verleden durven onderzoeken

In heel Indonesië zal aanstaande maandag de zeventigste verjaardag van de onafhankelijkheid worden gevierd. Een dag die getuige het rood-wit van de Indonesische vlag dat al dagenlang het straatbeeld in veel steden bepaalt, wederom zeer intens zal worden gevierd.

Indonesië, met zijn 250 miljoen inwoners qua bevolkingsomvang het vierde land ter wereld en het grootste moslimland, heeft zich weten te ontwikkelen tot een zelfbewuste natie. Een land ook dat, zoals eerder deze week bleek, het eigen verleden onder ogen durft te zien. Het Constitutioneel Hof kwam met een vordering van 290 miljoen euro aan een stichting die aan oud-president Soeharto was gelieerd; geld dat via corruptie was verkregen. Een bedrag dat overigens schril afsteekt tegen de volgens schattingen vele miljarden die Soeharto en zijn familie tijdens zijn dertig jaar durende presidentschap, dat in 1998 werd beëindigd, hebben weten te vergaren.

Van meer belang is de symbolische betekenis van deze uitspraak. Bestrijding van de wijdverbreide corruptie is een serieus thema in Indonesië. Dit was niet voor niets een van de belangrijkste verkiezingsbeloften van de vorig jaar juli gekozen president Joko Widodo.

Moeilijker met het verleden heeft Nederland het als oude kolonisator, hoewel de koloniale erfenis sinds tien jaar ontegenzeggelijk minder beladen is dan daarvoor. Het was in 2005 dat toenmalig minister Ben Bot (CDA) van Buitenlandse Zaken tijdens de onafhankelijkheidsviering in Jakarta namens de regering eindelijk erkende dat Nederland in 1945 aan „de verkeerde kant van de geschiedenis” had gestaan. Dit kon worden uitgelegd als een omfloerste erkenning van de Indonesische onafhankelijkheidsdatum. Tot dan toe had Nederland altijd vastgehouden aan 27 december 1949, de datum van de soevereiniteitsoverdracht, als begin van de Indonesische onafhankelijkheid.

Toch is dit maar één facet. Veel gevoeliger ligt de manier waarop Nederland militair te werk is gegaan nadat Indonesië op 17 augustus 1945 zijn onafhankelijkheid had uitgeroepen. In de loop der jaren zijn hierover de nodige verhalen naar buiten gekomen. Eind jaren zestig viel in dit verband voor het eerst het woord oorlogsmisdaden. Het leidde tot een onderzoeksrapport onder de veelzeggende, eufemistische titel Excessennota, passend in het verhullend woordgebruik dat eerder in 1946 en 1948 had geleid tot het begrip politionele acties.

Sindsdien is met enige regelmaat gevraagd om een alomvattend onderzoek naar alles wat tijdens de Nederlandse militaire acties na de eenzijdige proclamatie van de Indonesische staat in 1945 heeft plaatsgevonden. Met dezelfde regelmaat zijn deze verzoeken van regeringszijde afgewezen.

Dat voor een dergelijk onderzoek alle aanleiding is, bewijst de studie van de Zwitsers-Nederlandse historicus Remy Limpach, waarvan deze krant vrijdag melding maakte. Zijn conclusie op basis van omvangrijk bronnenonderzoek is dat er onder Nederlandse militairen sprake was van structureel geweld en het dus geen uitzonderingen dan wel noodgevallen betrof. Volgens hem lagen de oorzaken van het geweld in de militaire structuur verankerd. Dit vraagt om nadere opheldering.

In 1949 kwalificeerde publicist en Tweede Kamerlid Jacques de Kadt (PvdA) het Nederlandse Indonesië-beleid als „het treurspel der gemiste kansen”. Anno 2015 kan helaas hetzelfde gezegd worden over Nederlands omgang met het onderzoek naar de eigen postkoloniale geschiedenis in Indonesië.