Column

Lala-land wil niets horen over geopolitiek

Waarom is Europa zo verdeeld over de oorlog in Oekraïne en onze relaties met Rusland? Waarom hebben we geen strategie voor IS, en kunnen we niet bedenken wat we met zoveel migranten aanmoeten? Simpel: we zijn niet langer gewend om met grote, geostrategische kwesties om te gaan.

Al decennialang vormt een immense allergie voor machtspolitiek het fundament van de EU. Zoals Jean-Louis Bourlanges, voormalig Frans europarlementariër (voor de centristische, nu geïmplodeerde partij UDF), onlangs schreef voor de Franse denktank Telos: „Ergens tussen 1939 en 1945 is Europa uit de geschiedenis gestapt. Daarna heeft het de weg nooit meer teruggevonden. Dit internationale onvermogen, diplomatiek en militair, loopt als rode draad door haar recente verleden.”

Tijdens de Koude Oorlog, waarin Amerika onze militaire bescherming op zich nam, kon Europa haar oorlogswonden likken en werken aan verzoening en wederopbouw. Daarom bleef ze ‘buiten de geschiedenis’. De geschiedenis speelde wel in Europa, maar was niet bedreigend, omdat we veilig onder de Amerikaanse paraplu zaten. Ze was zelfs goed voor de Europese eenwording. De Korea-oorlog was een stimulans om de Europese Gemeenschap te versterken. De Sovjetdreiging met SS-20-raketten leidde tot de interne markt en de euro.

Na de val van de Muur dacht Europa dat deze pacifistische koers ‘gewonnen’ had. Wij hadden het geweld afgezworen, de wereld zou ons nu volgen. Buitenlandse politiek zou vooral nog draaien om handel, mensenrechten en humanitaire ontwikkeling. Dat de NAVO een schaduw van zichzelf werd en de Amerikanen de handen van ons aftrokken, deerde veel Europeanen niet: de dreiging was toch weg? Bourlanges heeft een dodelijke typering voor deze periode: „Welkom in de wereld van de troetelbeertjes, waar Europeanen koning zijn!”

Toen kwamen 9/11 en de Amerikaanse oorlogen in Afghanistan en Irak. Sommige Europese landen deden aan die oorlogen mee, maar dat veranderde hun denkwijze niet. Ze noemden het geen oorlog, maar ‘peacekeeping’ of ‘politiemissie’. En geloofden dat ze daar democratie konden brengen.

President Poetin lijfde in 2008 twee Georgische provincies in, maar Europese leiders zagen dat niet als onderdeel van zijn rehabilitatie van ‘Groot-Rusland’. Ze bleven met hem onderhandelen over visavereisten en handelsakkoorden met mensenrechten-component. Zijn politieke ideeën ontvouwde Poetin niet voor dagdromende Europese politici, voor wie hij weinig respect heeft, maar kennelijk wel voor CEO’s van westerse oliebedrijven – mannen die de wereld van landjepik en schatgraven nog wel begrijpen.

De Europese allergie voor machtspolitiek verklaart ook waarom we het Griekse probleem, uitgegroeid tot geopolitiek probleem, jaren hebben afgedaan als simpele calculatie. Dat grote eurolanden zich evenmin aan de regels houden, en daarvoor niet kunnen worden gestraft zonder de hele eurozone onderuit te halen, wordt onder het kleed gemoffeld – ook dat hoort tot de Grote Politiek waaraan we niet graag worden herinnerd. Politici vallen de burger er zo min mogelijk mee lastig. Ze vinden het veiliger dat hij de EU vooral als markt ziet, die draait om consumentenbelangen, of homorechten. Vrij naar Robert Kagan: We blijven liever Venus, die preekt over Mars.

Dit is een fijne rol, maar helaas uit de tijd. We kunnen niet eeuwig in lala-land blijven. Dit is de boodschap van de ‘uitdaginge’ die zich nu aan ons opdringen. Religieus extremisme, massamigratie, eurocrisis, Chinees superkapitalisme: zonder machtsdenken vindt Europa er nooit antwoord op.