Ik ben altijd bang dat ik live op mijn bek ga

Anniek Pheifer (37) is actrice bij het Nationale Toneel. In april ontving ze de Mary Dresselhuysprijs, een belangrijke acteursprijs. Vanaf woensdag is ze te zien op de Parade in Amsterdam. „Nog steeds hou ik erg van stilte en van op mezelf zijn.” 

Foto: Merlijn Doomernik

Liefde is een donut

„De eerste Paradevoorstelling van het Nationale Toneel! Liefde is een donut gaat over de lotgevallen van kassameisje Manilla en een verliefde supermarktklant. De voorstelling is door Mark Rietman, Vincent Linthorst en mezelf helemaal in elkaar getimmerd. Ik ben er trots op dat het ons is gelukt, in korte tijd, zonder regisseur, maar achteraf denk ik wel: het had béter gekund, inhoudelijker. De voorstelling is goed ontvangen, maar we horen ook vaak dat het wel erg plat is. We hebben er zelf vreselijk om moeten lachen, en het Paradepubliek op de vrijdag en zaterdag, na een paar borrels, ook. Maar als we het volgend jaar weer zouden doen mag het ambitieuzer. Ik zou graag vaker met ons gezelschap in de zomer iets leuks en luchtigs maken. Ook voor de mensen die denken: toneel, Shakespeare, moeilijk!”

Vakkenvulster

„Zelf heb ik nog een zomer in de buurtsuper gewerkt. Als vakkenvulster, want er was maar één kassa. Het was een piepkleine zaak in Veenhuizen, waar je alleen een paar vergeten spullen haalt. Kijk, hier heb ik nog een foto, in supermarkttenue, bij de literflessen koffiemelk; verkopen ze die nog ergens? En met een vlotte korte boblijn, haha. Een supermarktmedewerker of buschauffeur is een goed theatraal personage. Door de eentonigheid van het werk, en het feit dat je continu mensen ontmoet maar toch aan de zijkant staat. Ik heb ook nog een zomer in een ijskraam gestaan, o man. Dan kwamen mensen bij mij ijs kopen, héél veel mensen, en die zag ik dat verderop opeten, op het strand, waar hun leven was. En ik keek ernaar, vanuit mijn donkere hokje.”

Verlegen

„Ik ben altijd vrij verlegen geweest. Een soort sociale onhandigheid, of ongemakkelijkheid, ik weet niet. Misschien komt het doordat ik redelijk ‘alleen’ ben opgegroeid – eenzaam klinkt te negatief – in een dorp van duizend inwoners te midden van de natuur. Nog steeds hou ik erg van stilte en van op mezelf zijn. Dat rijmt soms moeilijk met toneel, premièrefeestjes. Soms lukt het gewoon niet goed, snap je? Small talk, of je soepel bewegen in een groep. Ken je dat, dat gevoel dat je er steeds net naast zit? Je zegt iets sufs, dat iemand niet verstaat, en dan moet je weer zeggen ‘laat maar’, want het was dom, en intussen weet je zeker dat die ander denkt: wat een raar mens! En dus neem je nog een glas wijn, want dan gaat het vast beter, maar dat valt dan verkeerd, of het is rode, en dan loop je rond met vieze tanden. Dat. Ongemakkelijk.”

Klooster

„In Veenhuizen waren niet zoveel mensen met wie ik goed kon praten. Schrijf dat maar niet op, dat wordt vast weer verkeerd opgevat. Maar dan dreigde er bijvoorbeeld een asielzoekerscentrum te komen, en schafte iedereen meteen een herdershond aan. Weet je wat, schrijf dat trouwens maar wel op. Als puber moet je je geestelijk ergens aan kunnen optrekken, maar in Veenhuizen werd een kunstenaarskolonie door het hele dorp weggestemd. En ging mijn vader, met nog drie anderen, overal uitleggen dat dat niet kon: dat je andere mensen niet zomaar kon wegsturen. Voor toneel was er natuurlijk ook weinig begrip. Dus Amsterdam was een verademing. Het was een enorme overgang van heel alleen naar héél sociaal. Maar daar was ik wel aan toe, na 18 jaar klooster.”

Zwerver

„Op de middelbare school had de decaan zo’n kaartenbak met adressen van universiteiten en hogescholen, en toen ontdekte ik dat de toneelschool bestond, dat ‘actrice’ een beroep was. Ik weet nog dat ik dat adres overschreef in mijn agenda, en later weer in een andere. ‘Amsterdamse Toneelschool, Keizersgracht.’ In Amsterdam heb ik een enorme inhaalslag gemaakt. De stad was zo overweldigend dat ik de opleiding misschien niet optimaal heb benut. Ik was enorm bezig met andere mensen en uitgaan. Maar niks extreems of zelfdestructiefs hoor, geen Jellinek-toestanden. Tijdens mijn studie heb ik wel nog een tijd als halve zwerver in Londen geleefd, vooral omdat het zo duur was. Dan kocht ik ’s avonds een wit stokbrood met kaas, en verder at ik chocola of restjes uit de keuken. Qua goed voor jezelf zorgen was dat wel het dieptepunt. Ik ben gered door de Evangelische Omroep, die haalde mij terug naar Nederland voor een serie. Een goddelijke ingreep, ja. Alleen was het een héle slechte serie.”

Mary Dresselhuysprijs

„Ik zit nu tien jaar bij het Nationale Toneel en het is bij elke voorstelling weer eng om te beginnen. Tijdens de repetitieperiode komt er altijd een moment dat je denkt: dit is verschrikkelijk, zó lelijk, ik kom nooit meer tot iets nieuws. En daar krabbel je dan toch weer uit. Maar het blijft een zoektocht. Eens in de zoveel tijd denk ik: klopt het nou wat ik doe, doet het ertoe? Daarom was het zo’n megacompliment om de Mary Dresselhuysprijs te krijgen (30 april, red). Dat was of de voltallige toneelwereld één keer zei: het is goed, het klopt wat je daar al tien jaar aan het doen bent. Het is een enorme eer, en die penning staat trots op de schouw. De twijfel en onzekerheid komen gewoon weer terug, en dat is misschien maar goed ook; zelffelicitatie is de dood van de kunst. Maar even dat stempel van goedkeuring krijgen, was fijn.”

Bloednerveus

„Ik werd verrast met de prijs in een uitzending van Opium, waar ik dacht dat ik over Drie Zusters zou gaan praten, en daar was ik bloednerveus voor. Ik ben altijd zó bang dat ik volledig op mijn bek ga op live-televisie, dat ik iets heel stoms zeg of juist totaal dichtsla, en dat mensen over een jaar nog zullen zeggen: die Anniek is zó dom. Dat is mijn grootste angst. Dus in die Opium-uitzending zie je mij steeds denken wat Cornald Maas zou kunnen gaan vragen en wat ik daar dan op moet zeggen. En dan komt Paul Haenen aan het woord en zie je me denken: ‘Even opletten Anniek! Even luisteren nu. Huh, stink ik nou? O, ik moet niet aan mijn oksel ruiken op tv!’ Verschrikkelijk was het. En toen bleek het dus een set up. Het mooiste was dat mijn hele familie er was, mijn beste vrienden, en mijn man. Een geweldige ervaring.”

IJdel

„In mijn eerste jaar op de toneelschool zag ik een acteur – ik weet niet meer wie – iets heel ijdels doen. Heel ambitieus en verbeten,en zó naar. Ik weet nog dat ik besefte: dit hoort ook bij het vak. Maar ik wist ook: ik vind dat niet prettig en het past niet bij mij, dus als ik ooit zoiets voel opkomen, moet ik stoppen. Het komt wel eens voor dat ik me zorgen maak over mijn bankability, of vind dat ik meer aan Instagram of Twitter moet doen. En dit (zwaait met haar iPhone) helpt natuurlijk niet. Als dat gebeurt moet ik even terug naar Drenthe. Niet letterlijk, maar in mijn hoofd. Mensen zijn nu steeds op zoek naar stilte, om te mediteren of mindful te worden, terwijl: dat is mijn basis. Stil, en groen, en saai. Volgens mij is dat een hele goeie basis, en ik keer daar graag naar terug.”

Serieuze shit

„Als ik, altijd moeilijk, over mezelf moet zeggen op welk punt in mijn carrière ik me bevind, zou ik zeggen: ik sta aan het begin van de serieuze shit, van de grote mooie dragende rollen. Daar voel ik me sterk genoeg voor. Vroeger kon ik verkrampt zijn op toneel, bang dat ik een goede vondst in het repetitielokaal niet op toneel zou kunnen herhalen. Maar bij de voorstelling Blauwdruk voor een nog beter leven vertrouwde ik daar plots wél op, en kon ik losser, soepeler en vrijer zijn, en op toneel ‘echt’ luisteren en reageren. Die ontspanning levert direct iets moois op. Denk ik dan hè, want ik kan mezelf niet zien. Maar ik weet dat ik besefte: hé, dit is weer een volgend level.”