Hoe Nederlandse bedrijven de dupe zijn van de Chinese crisis

Foto ANP

De opluchting was vaak te zien in de ogen van Nederlandse bestuursvoorzitters in de afgelopen crisisjaren: gelukkig hebben we Azië nog! Terwijl in het westen banken omvielen, huizenmarkten instortten en de werkloosheid opliep, konden de topmannen vertellen over investeringen in Chinese fabrieken, het potentieel van de Indonesische markt en mooie kansen daar in het Verre Oosten. Dat hoorden hun aandeelhouders graag.

Juist omdat Azië belangrijker is geworden voor het Nederlandse bedrijfsleven, is de Aziatische groeivertraging zo relevant. De bedrijven zelf houden zich nog op de vlakte na de cijfers over het tweede kwartaal en het afgelopen jaar die ze onlangs naar buiten brachten. Unilever heeft het over “bescheiden groei” in China. AkzoNobel heeft het over “uitdagende omstandigheden” in China.

Economen en financieel analisten zijn deze week in de greep van de acties van de Chinese Volksbank die de koers van de yuan laat vieren, mogelijk een opmaat tot een valutastrijd om zo de Chinese concurrentiepositie te verbeteren.

Al langer slechtere prestaties

Maar achter die monetaire schermutselingen gaat schuil dat de Aziatische economie al langer slechter presteert. Neem bijvoorbeeld de verkoopcijfers van nieuwe auto’s. In een presentatie voor Aziatische investeerders op 3 juni in Singapore ging AkzoNobel ervan uit dat in China tot 2019 jaarlijks 5,3 procent meer auto’s gemaakt zouden worden.

Dat is belangrijk voor het bedrijf aangezien het grote producenten, zoals General Motors en Volkswagen, tot zijn klanten rekent. Daar investeerde AkzoNobel de afgelopen jaren tientallen miljoenen in uitbreiding van de capaciteit.

Maar opeens worden er een stuk minder auto’s verkocht. Chinezen kochten in juli 6,6 procent minder auto’s dan een jaar geleden. De Duitse fabrikanten Volkswagen en BMW hebben al gezegd dat de zwakke Chinese markt gevolgen zal hebben voor de winst. Dat is jammer, zeggen ze erbij, want dat doet de goede verkoopcijfers in Europa teniet. Een grotere kentering vergeleken met de crisisjaren is nauwelijks mogelijk.

Chinese export

Azië is natuurlijk niet alleen een belangrijke afzetmarkt, het is ook een onmisbare plek van productie. De uitvoer van China zit in een stevige dip. In juli voerden Chinese bedrijven 8,3 procent minder uit vergeleken met een jaar eerder. Vooral Europa (min 12 procent) en Japan (min 13) hadden minder behoefte aan, voor de koersval nog dure, Chinese producten.

In de halfjaarcijfers meldt TNT Express, dat de omzet geraakt is door de “scherpe terugval in Chinese uitvoer”, zonder een bedrag te noemen. Mocht de handel tussen China en Europa verder terugvallen dan lijkt het kwestie van tijd voordat, bijvoorbeeld, de containeroverslag in de haven van Rotterdam of de vrachtvliegtuigen van KLM dit merken.

Ondanks de lagere groei lijkt het vooralsnog ondenkbaar dat Nederlandse bedrijven uitgekeken raken op Azië. Er zijn immers nog genoeg plekken om geld te verdienen.

Heineken opende vorige maand bijvoorbeeld een brouwerij in Birma. Verder is er voorzichtige hoop dat India, dat andere land met meer dan een miljard inwoners en waar Unilever een grote positie heeft, zijn economie hervormt en stevig zal groeien.

Het lijkt zelfs voorbarig om de trager groeiende economieën van landen als China, Indonesië, Singapore en Maleisië af te schrijven. Een groei van 3 tot 5 procent is niet de stormachtige ontwikkeling van de voorbije jaren. Maar het blijft een groeitempo dat beduidend hoger ligt dan in Europa.