Het volk zegt niet altijd wat het echt wil

Politicus Joost Eerdmans en psychologe Martine Delfos komen uit verschillende werelden. Delfos: „Ik zeg altijd wat ik denk. Ik kan nooit door de mand vallen.” Eerdmans: „Nee, politiek is niets voor jou.”

Joost Eerdmans: „Wat mij zo verbaast is waarom vooral mannen zo makkelijk het spoor bijster raken.” Martine Delfos: „Het zou zo helpen als een man één menstruatiecyclus zou doormaken.” Foto: Mieke Meesen

We rijden over een kalme A28 en psycholoog Martine Delfos trakteert ons op een mini-exposé over psychologische trauma’s. „Dat je er slecht van slaapt is niet zo belangrijk”, zegt ze vanaf de passagiersstoel. „Het probleem van trauma is dat het wereldbeeld erdoor gevormd wordt. En er is de angst voor herhaling. En om die angst voor herhaling te bezweren ontstaat er schuldgevoel. Want als jij zelf de oorzaak bent, kan je het de volgende keer misschien voorkomen.” In Utrecht was Delfos in de auto gestapt, mee naar Ermelo om met Joost Eerdmans een zomeravondgesprek te voeren.

Joost Eerdmans is politicus in hart en nieren. Oud-LPF’er en nu leider van Leefbaar Rotterdam. Hij is locoburgemeester, een opgewekte doener. Delfos kent hem nauwelijks. „Hij is erg rechts toch?”, vraagt ze voorzichtig.

Het A28-gesprek begon met Le Petit Prince, het bekende kinderboek van Antoine de Saint-Exupéry. Delfos blijkt druk bezig het te vertalen. Via haar moeder is Delfos half-Frans. Delfos ziet Saint-Exupéry’s trauma duidelijk terug in het boek. „Hij heeft als vierjarig kind een ouder verloren. Die tijd heeft hem gevormd, hij kan makkelijker met de prins – een kind – contact maken dan met volwassenen.”

Als we de afslag naar Ermelo opdraaien, verklaart Delfos dat ze aan dit zomeravondgesprek meedoet omdat ze drie dingen kwijt wil. Ten eerste dat de wetenschap beperkt is. „Meten is weten. Maar we kunnen niet alles meten wat we willen weten. Geen geld en mensen genoeg en een ethische commissie waardoor – terecht – de meeste dingen niet onderzocht mogen worden.”

En ze zou graag praten over de invloed van gamen en de ‘virtuele wereld’. „Als je zo’n IS-beul ziet! Zo totaal op zijn gemak in zijn ninjapak met naast hem de man die hij gaat doden! Dan denk ik: dat is een gamer. Op zo’n moment kan je alleen onbewogen blijven als je jarenlang hebt gegamed en filmpjes gekeken. Dan zijn al die scripts in je hoofd gaan zitten. Evolutionair gezien kan je alleen moorden als je voelt dat je zelf in gevaar bent. Dan ben je dus niet zo kalm.” En ze wil praten over Nederlandse Marokkanen, kondigt ze aan.

Zó! Welkom bij Martine Delfos. Haar hoofd lijkt vaak over te lopen van ideeën en inzichten, die ze liefst allemaal met je wil delen. Tegelijk geeft ze krachtig leiding aan het gesprek.

Eenmaal op landgoed Het Roode Koper wachten we op een zonnig terras op Eerdmans. Delfos vraagt zich af of ze niet te veel verschillen. „Ik ben heel links. Ik heb nog altijd een ban-de-bom-symbool voor mijn raam hangen”, bekent ze.

Daar loopt Joost Eerdmans het terras op. Voor ieder heeft hij een persoonlijk woord. Dit gesprek is een thuiswedstrijd. „Ik ben opgegroeid in Harderwijk. In deze bossen kwam ik vaak met de padvinderij.” Met het boodschappenautootje van zijn moeder is hij zojuist van zijn ouderlijk huis komen rijden. Morgen komt zijn gezin. Gaan ze met zijn allen verder naar Friesland. Hij verheugt zich erop. En weg is hij weer. Even inchecken.

Delfos heeft hem in die korte tijd goed bekeken. „Hij is zacht!”, fluistert ze ons toe. Een goed hart, dat is voor haar belangrijk in een mens.

Expres hebben we in Ermelo twee sterk verschillende mensen bijeengebracht: van andere generaties, uit heel verschillende hoeken van de samenleving en met sterk uiteenlopende bezigheden en achtergrond. Maar allebei met stevig persoonlijk aanzien in hun vak, allebei snelle denkers, en belangrijk: allebei non-conformisten. Krachtige buitenbeentjes.

„Ja, ik ben een buitenbeetje”, zegt Eerdmans gemakkelijk, terug op het terras. „Maar ik pas wel in het politieke spel. Ik ben actief op de flank. Ik volg niet de communis opinio. Ik ben een opiniemaker. En nu ben ik ook wethouder en vooral bezig met oplossingen. Ook daarin zoek ik het experiment. Durven op je bek te gaan. Ik ben geen babbelende politicus maar dienstverlener. At your service! Rotterdammers genieten van de nieuwe Markthal. Mooi, maar ik wil weten: wanneer wordt het vuilnis eindelijk op tijd opgehaald? Rotterdam is een laboratorium en Leefbaar is er de grootste partij.”

„Maar genoeg over mij.” Hij doet zijn zonnebril af en kijkt zijn gesprekspartner aan.

„Fijn”, zegt Delfos. „Nu zie ik je ogen. Die bril staat je goed hoor, daar niet van.” En ze begint over Rotterdam. „In een havenstad is ook veel prostitutie. Wat vind je daar van?”

Eerdmans zit direct rechtop. „Eh, ja. Prostitutie. Het is nog vroeg op de avond, hoor.” Even is hij de wethouder die een gemeenteraad toespreekt. De beruchte prostitutie van de Keileweg is al door zijn voorganger van de straat gehaald, legt hij uit. „Het zit nu meer achter de voordeur. Veel vrouwen vinden er werk. Maar er zullen ook vrouwen uitgebuit worden.” En op zijn hoede: „Wat is er bij ons anders dan in Amsterdam?”

Delfos antwoordt: „Ik lijk wel een mens, maar in werkelijkheid ben ik een microscoop. Ik hoor jou zeggen: vrouwen vinden er werk. Nee Joost, die vrouwen vinden niet dat werk, ze komen er in terecht. Meestal tegen hun wil.”

De wethouder geeft zich niet gewonnen. „Voor sommigen is het echt een keuze. Het is het oudste beroep ter wereld.”

Delfos, sceptisch: „Vroeger waren het drugs en het seksueel misbruik als kind. Nu is er echt veel vrouwenhandel.”

Eerdmans, nadenkend: „De vraag is er gewoon…”

Bokito-gedrag

En dan gooit hij het gesprek abrupt over een andere boeg. „Wat mij zo verbaast is waarom vooral mannen zo makkelijk het spoor bijster raken. Vrouwen hebben dat veel minder snel. Ze zijn gevoeliger, warmer, meer tot compromis bereid. De sfeer is beter als er vrouwen bij zijn. Juist daarom zou je meer vrouwen in de top willen. Al zouden ze wel assertiever mogen zijn. Maar weer niet zo assertief als mannen. Als je die presidentskandidaten in de VS ziet, met al dat Bokito-gedrag!”

Delfos: „Bokito? Ik kijk nauwelijks tv…”

Die gorilla, souffleren wij, die ooit ontsnapte uit Blijdorp. „Oh ja!”

Eerdmans herneemt: „Dan is Hillary Clinton een verademing. Zoveel gematigder, zichzelf niet overschreeuwend. Mannen aan de top hebben zóveel verwachtingen van zichzelf. Alles willen en kunnen. Die mannen gaan de mist in, gaan vreemd. Vrouwen hebben veel meer een handrem voor zichzelf.”

Waarom zitten er dan geen vrouwen in het Rotterdamse college, vragen wij.

„Ja, dat was wel de bedoeling. Gelukkig zit er wel een vrouw bij de collegevergaderingen, de notuliste. En dat is prettig.”

Delfos publiceerde in 2004 een succesvol boek over man-vrouwverhoudingen: De schoonheid van het verschil. Ze zegt nu: „Heel rijk wat je net zei. Ik ben er al heel lang mee bezig. Wat voor vraag zou je mij nu willen stellen?”

Eerdmans, zonder aarzeling: „Bestaat het glazen plafond?”

Delfos: „Ja. En dat komt ook door de vrouwen zelf. Terwijl de mannen de schuld krijgen. Héél algemeen gezegd heeft een mannelijke baas jaloerse mannen om zich heen. Maar hij denkt gewoon: ‘ik ben de baas’. Maar een vrouw die de baas is denkt: ‘kunnen we niet toch óók vrienden zijn?’” Ze maakt een omarmbeweging.

Eerdmans, concluderend: „Ze durven niet. Het laat-mij-maar-principe. Dat een vrouw zegt ‘laat mij maar iets weinig ambitieus doen’.”

Delfos: „Geheugen hangt met hormonen samen. Het zou zo helpen als een man één menstruatiecyclus zou doormaken. En het zou ook zo goed zijn als een vrouw eens zou voelen hoe het is om je zaad binnen te moeten houden. Wat mannen voelen die seks willen maar worden afgewezen door hun vrouw.

„En mag ik het overdreven zeggen? Negen van de tien ruzies worden begonnen door de vrouw. En dan mag de man het ook niet goedmaken! Echt niet. Alleen zij mag dan de ruzie weer bijleggen.”

Eerdmans: „Kun je dat staven met onderzoek?”

Delfos: „Nee.”

Eerdmans: „Ik geloof het niet. Wat je zegt is een stereotype, tegenwoordig is het veel gemengder. Mannen beginnen ook ruzies. Ik denk dat het bij ons thuis toch echt fifty-fifty is.”

Delfos: „Ik heb het bij mezelf gemerkt toen ik negentien was, en mijn man ontmoette. Ik dacht: waarom maak ik toch zoveel ruzie? Ik heb er veel over nagedacht.”

Eerdmans geeft toe: „Ik denk dat mannen er sneller klaar mee zijn, met ruzie. Ik heb nooit ruzie op het werk.”

Delfos: „Dat komt door natuurlijk gezag, precies zeggen wat je vindt, zonder twijfel.”

Eerdmans: „Ik wil altijd een tegengeluid horen.”

Delfos: „Dat straal je uit. Van natuurlijk gezag worden mensen rustig.”

Kan een vrouw ook zo’n natuurlijk gezag hebben, vragen wij.

Delfos: „Natuurlijk! Dat doet ze de hele dag. Alleen merkt niemand dat.”

Dan meldt de fotograaf zich. Het licht is nu precies goed! Martine Delfos heeft er weinig zin in. De fotograaf wil dat ze met ijscoupes ieder apart in het parkje gaan zitten. Joost Eerdmans heeft er geen moeite mee. Hij gaat zitten en begint uit zijn glas te lepelen. „Anders smelt het.” Delfos zegt: „Jij kunt dit, ik haat het.” Eerdmans: „We gaan het overleven.”

Wil je naar haar toelopen, vraagt de fotograaf. Alsof je haar toevallig ontmoet. „Oké”, zegt Eerdmans. Tegen Delfos: „We werken al naar de climax toe.” Delfos: „Ik heb een hekel aan nep.” „Hé”, roept Eerdmans. „Wat doe jíj nou in dit park?”

Politieke idealen

Terug op het terras vraagt Eerdmans vriendelijk: „Kende je Leefbaar Rotterdam al?”

Delfos, achteloos: „Ik was eerlijk gezegd alweer vergeten of je nou van Leefbaar bent of van de PVV.”

Eerdmans: „Goeie genade.”

Delfos: „Vroeger dacht ik: politiek is voor mensen met idealen. Maar nu zie ik onzekere politici denken: ‘als ik dit en dat zeg, krijg ik zoveel mensen achter me’.”

Eerdmans: „Ach, baantjesjagers zijn van alle tijden. Maar voor het geld of het aanzien hoef je het niet te doen. Je moet je op je plek voelen, anders word je doodongelukkig.”

Delfos: „Wat vind je ervan dat ik Leefbaar niet kende?”

Eerdmans: „Als je nou Rotterdammer was geweest, had ik gedacht: we doen iets verkeerd. We zitten met 14 zetels in de raad. We zijn dé partij van de Fortuynisten. Er is veel onvrede in dit land. Dat wilde Pim Fortuyn laten zien. Het is nu onze opdracht. Onze focus is veiligheid, integratie en geen lastenverhoging. We worden van populisme beschuldigd, maar daar ben ik trots op. Want dan ben je in staat om in eenvoudige taal iets ingewikkelds uit te leggen.”

Delfos: „Maar het volk zegt niet altijd wat het echt wil.”

Eerdmans: „Nee, we doen niet alles wat het volk wil. Dan zouden we de belastingen afschaffen en het openbaar vervoer gratis maken. Het gaat om het luisteren.”

Delfos: „Om zich veilig te voelen, zeggen mensen vaak wat ze denken dat de ander wil horen. Ikzelf zeg altijd wel wat ik denk. Ik zou me daarmee kwetsbaar maken. Maar ik vind van niet. Ik kan nooit door de mand vallen. Als jij mij niet leuk vindt, dan is dat omdat ik zo ben.”

Eerdmans, grijnzend: „Nee, politiek is niets voor jou.”

Delfos: „Ik ben eerlijk tegen mensen. Ik wil tegen jou kunnen zeggen: jij bent zacht. Ik ben therapeut. Ik praat ook open tegen een kind van 5.”

Eerdmans: „Vijf jaar? Mijn zoontje is 5. Dat is jong hoor, voor therapie.”

Delfos: „Met zo’n kind kan je echt wel een gesprek voeren. Ik geef je een voorbeeld van mijn eigen kleinkind, vier jaar. Ze kwamen op bezoek en zij wilde niks drinken. Oké. Ik zet haar op het aanrecht en zeg: daar moet je een goede reden voor hebben, maar ik begrijp het niet. Zij zegt: ‘Dan moet ik plassen en stoppen met spelen.’ Ik leg haar uit dat haar cellen vocht nodig hebben en schadelijke stoffen weg moeten spoelen. En daarna deed ik iets heel goeds. Je raadt nooit wat!”

Eerdmans: „Nou? Je hebt haar op de wc gezet?”

Delfos, triomfantelijk: „Nee joh! Ik deed niets. Na een half uurtje kwam ze naar de keuken. ‘Even mijn celletjes besproeien.’ Kinderen hebben tijd nodig om dingen te overdenken. Die tijd moet je geven.”

Psychologiseren

Eerdmans: „Raak je wel eens in de knoop met jezelf? Al dat gepsychologiseer....”

Nee, zegt Delfos. Ze is therapeut in hart en nieren, vertelt ze. Haar eerste ervaring als therapeut was toen ze vijf jaar was. Een jongen van twaalf uit haar wijk in Eindhoven werd thuis geslagen. Een vriendje van hem zei: dan moet je met dát meisje praten. Delfos: „Ik zag de angst in zijn ogen. Ik zei: jij wordt geslagen omdat ze bij jou thuis ‘u’ zeggen. Ik bedoelde de emotionele afstand, maar daar had ik nog geen woorden voor. Ik heb er wakker van gelegen. Ik vreesde dat hij ‘je’ was gaan zeggen en nog meer zou zijn geslagen.”

Eerdmans: „Wil je mensen redden?”

Delfos: „Nee, ik doe wat voor mijn voeten komt. Als mensen mij iets vragen. Mijn hersenen zijn vloeibaar als water.”

Eerdmans komt uit een gereformeerd gezin, vertelt hij. Twee oudere broers, een jongere zus. „De basis was vertrouwen, mijn ouders waren een veilige basis. Het gevoel van regelmaat. Zondag was er kerk. Daarna soep en pudding. We mochten op atletiek, padvinderij. Mijn vader heeft een Friese lijfspreuk: ‘Doe je plicht en laat de rest maar kletsen’.” Eerdmans zegt het in vlot Fries. „Dat was mijn vader. Ga ervoor, sta ervoor. Een echte ondernemer. Mijn moeder was thuis en ging theologie studeren toen wij ook gingen studeren. Later ging ze ook preken. Wij kinderen waren net een beetje klaar met het geloof, maar voor haar kwamen we terug. Praten en verkondigen heb ik van mijn moeder. Van mijn vader heb ik de afspraak-is-afspraakmentaliteit.”

Het wordt fris, we gaan naar binnen voor het diner. Eerdmans vertelt dat hij als achttienjarige lid werd van het CDA. „Ik zat op de rechterflank. Ik botste soms wel met de partijfilosofie. Als je wilde gaan shoppen op zondag, hoopte je geen CDA’er tegen te komen. Beklemmend.”

En dan vertelt Eerdmans vol vuur over de grote verandering in zijn leven. Hij werd geraakt door Pim Fortuyn, die eind 2001 eerst als lijsttrekker van Leefbaar Nederland en daarna van de Lijst Pim Fortuyn het land op stelten zette. „Hij sprak zonder dralen, zonder schroom, mét theater durfde hij kritiek te uiten op het politieke systeem, op het kabbelende middenveld. Ik zag een gamechanger. De nieuwe premier van Nederland. Mijn vrouw Femke gaf het laatste duwtje: doe het. Ik belde met een sollicitatiebrief in mijn hand bij Pim thuis aan.”

Het was een ruige tijd, vertelt Eerdmans. „Fortuyn werd verguisd. Hij was de nieuwe Himmler, Hitler, de duivel in persoon. Op 5 mei zag ik Fortuyn voor het laatst. De volgende dag zou hij ’s avonds onderduiken, hij werd al bedreigd. Hij sprak me aan en zei: Jij bent jurist toch? Ik wil dat je uitzoekt wat ik allemaal moet doen als ik premier word; wanneer moet ik naar de koningin en zo. En terwijl hij wegliep draaide hij zich om en zei nog: ‘op één A-viertje, hoor!’ Een dag later zat ik dat uit te tikken toen mijn vrouw belde dat hij op de grond lag. Neergeschoten.”

Delfos: „Je hele opvoeding is in je levenslijn te zien. Het doen wat je zegt en ook de performance. Je houdt van een spelletje. Maar je zit lekkerder in je vel als je praktisch bezig bent.”

Eerdmans: „Ik hou van debatten, maar ze moeten wel tot iets leiden.”

De ober komt vertellen wat op het menu staat. Hoofdgerecht: ree. „Zijn er nog wensen?” Delfos, vriendelijk: „Ree? Ik eet geen vlees.” Tegen Eerdmans: „Ik ben evolutionair vegetariër. Ik wil er niemand mee kwetsen. Ik zag dat de ober het kon hebben.”

Eerdmans: „Dus als hij zegt: Dat kan je niet maken joh…”

Delfos: „Dan eet ik het op.”

Eerdmans plagend: „En dat arme reetje dan?”

Delfos: „Ik ben geen vegetariër uit dierenliefde. Ik werd het door goed naar mijn lichaam te luisteren.”

Hoe was het om daarna in die krankzinnige LPF-fractie te zitten, vragen we.

Eerdmans: „Ik was ontgoocheld.”

Delfos: „Mooi woord. Ontgoocheld.”

Eerdmans: „Ik had huiswerk in mijn hoofd. We zouden de bureaucratie aanpakken. Ik kende het Kamerwerk. Het gros van de fractie wist niets. En de meesten wilden het ook niet leren. Fortuyn wilde de bakker, de paardenfokker en de slager aan tafel. Hij had zich vergist. Een beetje ijdelheid is niet erg. Maar je moet het niet voor de auto met chauffeur doen. En het ging altijd maar over dat lijntje met Pim….”

Delfos: „Fortuyn was op het eind ook niet meer blij met zijn achterban.”

Eerdmans: „Het was niet allemaal gajes. Ik ben wel minder naïef geworden. Als er weer wat aan de hand was, ging ik fietsen. En ik nam de telefoon niet op. Zij deden dat wel. Mensen laten zich zó meeslepen!”

Delfos: „Wat vind je van Geert Wilders?”

Eerdmans: „Het grapje ‘Geert Wilniks’ van Bram Moszkowicz vind ik wel treffend. Ik heb bewondering voor Wilders’ doorzettingsvermogen. Maar de PVV-kiezer ziet veel minder terug dan de Leefbaar-kiezer. Het is jammer dat de PVV niet aan het roer staat. Iets laten zien. Net als Fortuyn. Maar ook lokaal zitten ze niet in het bestuur.”

Delfos: „Bij Wilders gaat het om Wilders.”

Eerdmans: „Veel mensen vonden Fortuyn ook show. Met die hondjes. Ik vind zo’n paradijsvogel leuk. Ik vind het niet erg dat het bij Wilders om Wilders gaat. Ik vind het erg dat hij niet levert. Ik vond de minder, minder minder-uitspraak niet gelukkig. Het is ook een truc. Hij weet dat mensen dan weer aangifte gaan doen, dat betekent meer aandacht voor hem en zijn punt.”

Delfos: „Hij trapt mensen op de ziel. Oké, je vindt die uitspraak niet goed, maar wat daarachter zit?”

Eerdmans: „Ik ben het met hem eens dat Marokkaans-Nederlandse jongens oververtegenwoordigd zijn in de misdaadcijfers. Dát bedoelde hij te zeggen. Dat kan je niet negeren.”

Delfos: „Ik zei in 1994 al dat er veel meer Marokkaans-Nederlandse jongens in de criminaliteit zaten. Maar wat nóg beter onderbouwd is, is dat we véél minder criminaliteit en ellende zouden hebben met minder, minder minder…”

Eerdmans: „… mannen!”

Delfos: „Precies. Marokkaanse meisjes hebben vaak een goede opleiding, hun broers vaak niet. Die worden agressief. Agressie is niets anders dan kritiek op jezelf waar de ander de aanleiding voor is.”

Eerdmans kijkt glazig. „Dat klopt, geloof ik, wel”, zegt hij dan. We herhalen de zin gezamenlijk om hem goed door te laten dringen: „Agressie is niets anders dan kritiek op jezelf waar de ander de aanleiding voor is!” Delfos ziet het grijnzend aan.

Eerdmans: „Ik mag toch wel boos zijn op een man die zijn hond slaat?”

Delfos: „Maar op wie ben je dan boos? De eerste keer zeg je verbaasd: hé, houd eens op. Pas de tweede keer word je boos, omdat er niet naar je geluisterd wordt.”

Eerdmans: „Sommige correcties kunnen niet zonder agressie.”

Delfos. „Nee. Maar wat is de beste manier om iemand rustig te krijgen? Iemand is heel boos op jou. Wat moet je doen om hem rustig te krijgen?”

Eerdmans: „Nou?”

Delfos: „Niets. Als je kalm afwacht, zal hij kwader en kwader worden. Maar uiteindelijk zal hij uitschreeuwen: ja ja, ik weet ook wel dat ik dit en dit fout doe… Zelfreflectie. Zonder dat jij zelf agressief werd. ”

Marokkaanse jongens

Het gesprek komt weer op criminele Marokkaanse jongens. Delfos: „Marokkaanse opvoeding draait om de vader en zoon. De vaders kwamen uit de Rif, vaak analfabeet. Je moet je kind vragen te lezen, te tolken. Je voelt je als vader dom als je kind dat zo makkelijk kan met 7 jaar en jij niet. Het zou zo helpen als ze weten dat ze niet dom zijn, maar dat de hersenen na je tiende niet makkelijk meer gealfabetiseerd kunnen worden.”

Eerdmans: „Ik ben mee geweest met het High Impact Crime-team. Straatroof, woninginbraak en zo. We kwamen binnen bij de vader, die was vriendelijk, bood thee aan. Die jongen was er niet. Hij kwam even later nonchalant aanlopen. Ik zag het verdriet in de ogen van die vader.”

Delfos: „Als je je niet gezagswaardig voelt, is het moeilijk opvoeden.”

Eerdmans: „Mee eens. Opvoeden begint bij het leren van Nederlands.”

Delfos: „Er is meer aan de hand. Weet je hoe Marokkaanse jongens door een winkel lopen? In het midden, met hun tas open. Dat niemand ze zal gaan verdenken.”

Eerdmans: „Ja, triest. Helaas.”

Delfos: „Straf doet stoppen, maar verandert niets. Het leidt tot wraakgevoelens. Je moet je verdiepen in de achterliggende oorzaken.”

Eerdmans kijkt nadenkend.

Delfos, opgetogen: „Alleen hiervoor al dank ik je! Dat je gaat nadenken. Iemand die verkeerd gedrag vertoont, wil dat niet. Die wil zich liever anders gedragen. Probeer maar eens uit op je kinderen: Zeg: Hou daar mee op. En een andere keer zeg je: Hou daar mee op, wat je deed is niet goed maar dat weet jij ook wel. Wie zich gerespecteerd voelt…”

Eerdmans: „Straf is geen zwaktebod. De overheid moet een grens stellen, er moet een stok achter de deur zijn.”

Delfos: „Natuurlijk moet je begrenzen. Als je begrenst, sta je aan het begin. Straffen lijkt opvoedkundig, maar eigenlijk ben je net te laat.”

Eerdmans: „Voor mij is straf confrontatie met het aangedane leed.”

De fotograaf meldt zich weer. Eerdmans en Delfos gaan mee. „Mijn vrouw wilde nog wat van de expert weten”, zegt Eerdmans. „Wat kan je het beste doen als de kinderen ruzie maken?”

Delfos: „Niets.”

Eerdmans: „Ow.”

Delfos: „Ze strijden om aandacht van de ouders. Ze moeten het uitvechten. Het is jaloezie. Daarom ruziën ze alleen als de ouders thuis zijn en als het aardige ouders zijn. Als de ouders beiden alcoholist zijn, kunnen ze zich geen ruzie permitteren.”

De volgende ochtend is het ontbijt om tien uur. Eens een keer zonder kinderen wil Eerdmans graag uitslapen. Hij verschijnt in kanariegeel hardlooptenue. We praten over NRC. „Jullie zijn nog steeds een elitaire krant.” En Delfos heeft al weer een uurtje aan Le Petit Prince gewerkt. „Mijn leven begon met een trauma”, vertelt ze. „Mijn oudere broer is geboren toen mijn vader in Buchenwald zat, wegens verzetswerk. Na de oorlog kwam ik, in 1947. Mijn broer was zo blij met mij, dat hij direct zijn toverballen met mij ging delen. Op de eerste dag van mijn leven ben ik bijna gestikt.” Onderwijl volgt ze geïnteresseerd het gezin aan een andere tafel. Jonge ouders, opa en oma en een meisje van een jaar of twee met tablet. Het kind gilt als ze haar koptelefoon moet afdoen. Even later zit ze aan tafel, koptelefoon op, tablet in haar hand. „En dan zitten ze eindelijk eens samen aan tafel”, zegt Delfos hoofdschuddend.