Het gaat niet goed met hem

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een fragment uit Ik heet Julius, de tweede roman van Martijn Simons.

Nu niet, hoe zou ik me in godsnaam kunnen concentreren? Ik kon niet denken, kreeg de beelden van vannacht niet uit mijn hoofd, die eindeloze stroom kleuren en geluiden en lichamen, de beats die steeds harder en dan weer zachter werden, de geur van verbrand vlees en zweet en het constante gevoel dat er iemand in mijn oor siste; en zij in het midden van alles, als het gele binnenste van een lotusbloem, en het liefst wilde ik weg van het strand, naar huis, me onder de lakens begraven en wachten tot dat gevoel zou verdwijnen. Onderweg nog snel een tussenstop bij een botica om een nieuwe voorraad in te slaan en eindelijk weer eens slapen, diep en zonder dromen.

Maar ik zat vastgepind op die picknickbank onder de parasol, als de foto van iemand die je haat op een dartbord, en werd gedwongen te luisteren naar Nore, die maar niet kon ophouden over mijn film. Míjn film, inderdaad. Ze kon de laatste tijd nergens anders meer over praten.

‘Kijk,’ zei ze. ‘Het gaat wel over Palm, natuurlijk, en over die muziek, maar dat is maar een vehikel. Waar je voor moet zorgen, is dat je in alle scènes, alle momenten waarop je Palm probeert te vinden, tegelijkertijd je moeder zoekt.’ Ze was even stil. ‘Ze loopt als het ware met je mee, aan je hand, snap je?’ Ze stak haar hand naar me uit.

Ik knikte. Dat van dat meelopen, dat begreep ik wel.

‘Je ziet er al beter uit,’ zei ze. ‘Echt.’

Ze lag nog steeds op haar rug, handen op haar buik, ik keek op haar neer. Ik kon door haar zonnebril niet zien of ze haar ogen wel open had.

‘Ik heb goed nieuws,’ ging ze verder. ‘Ik heb dus iemand gesproken. Een man van TeleCuraçao, ontzettende patser, maar daar gaat het niet om. Mijn vader kent hem. Ze willen met je praten, ik heb alles uitgelegd en hij staat op het punt om een cheque uit te schrijven.’

‘Ja,’ zei ik.

‘Ze willen een synopsis en een pitch. Soort presentatie van je plannen. Er zit daar iemand in de directie die, geloof ik, een achterachterkleinkind van Palm is, zoiets. Verre familie. Ze willen je dus helpen.’

Nore draaide in één vloeiende beweging op haar buik, zette haar bril af en keek me nu recht aan. ‘Dat is goed nieuws, toch?’

Weer knikte ik, naar mijn tenen. Mijn nagels waren duidelijk aan verzorging toe. Ja, goed nieuws. Ontzettend goed als je erover nadacht.

Het volgende moment ging mijn telefoon. Ik herkende het nummer niet, maar die stem was onmiskenbaar David. Sinds de crematie had ik hem niet meer gesproken. David en ik, we hadden ons allebei ingegraven, konden alleen elkaars kruin nog zien boven het zand, vlak boven de trillende horizon.

‘Skip?’ Straatgeluiden, auto’s, een tram.

‘Ja?’

‘Het gaat over pa.’

Eerste gedachte: dat hij al dood was. Niet dat hij tijdens een potje golf in elkaar was gezakt als een leeglopend springkussen en nu lag te wachten tot iemand het definitieve oordeel over hem uitsprak. Ik stelde me voor dat hij en ma ergens in de hoogte opnieuw met elkaar kennismaakten, en hoe dat zou zijn. Niet dat hij, zoals David vertelde, onderweg van hole zes naar hole zeven een herseninfarct had gekregen en dat zijn golfmaatje, wie dat ook was, een partner of misschien wel een cliënt met wie hij in een ongedwongen setting een en ander wilde bespreken, bij hem was geknield, zijn trui onder zijn hoofd had gelegd, op hem had ingepraat en toekeek hoe de ambulance over de fairway kwam aangezoefd, als in een tekenfilm, even verdween achter een heuvel, en toen weer opdook. Hoe zijn maatje de hele rit naar het ziekenhuis met trillend lijf naast hem had gezeten en zijn hand had vastgehouden, terwijl een broeder hem zuurstof toediende en weet ik veel wat nog meer.

‘Het gaat niet goed met hem.’ In Davids stem was geen emotie te bespeuren, hij was een killer, die broer van mij. Hij bezat het benijdenswaardige vermogen alle denkbare mededelingen op dezelfde neutrale maar toch empathische manier te doen, of het nou het bestellen van een fles chablis betrof, het onderhandelen over de prijs van een appartement of het overbrengen van zijn condoleances.

‘Is-ie dood?’ De verbinding was slecht. Het bereik op het eiland was nogal wisselend, maar zo westwaarts als waar ik mij nu bevond, verstond ik maar de helft van zijn woorden. Dat van dat golfen verstond ik, en AMC, en infarct. Maar dood was hij niet.

‘Gáát-ie dood?’

‘Wie zal het zeggen?’

‘Wat dan?’

‘Ik zou maar komen, Skippie,’ zei David. Hij was even stil. ‘Het is vrij ernstig, dat kun je gerust zeggen. Hij kan wel verlamd raken, er kan van alles gebeuren. Of hij herstelt en mag volgende week weer naar huis. Bij dit soort dingen weet je het pas als het zover is.’

Ik knikte, voelde de telefoon warm tegen mijn oor, zweet over mijn rug, mijn handen klam, mijn voeten in het zand. Nore stond voor me, een hand voor haar mond geslagen, haar ogen vochtig, een glinstering. Achter haar de zon, hoog in de lucht. Licht uit, spot aan, welkom in de finale. Ik liep een paar passen bij haar vandaan, draaide me naar de oceaan, het strand dat aan beide zijden omsloten was door hoge rotsen waarop cactussen groeiden, de lage struiken en die enkele waaiboom, die me nog altijd deden denken aan Elvis, zo’n spuuglok, en een lijf dat onder constante spanning stond. Een zeilboot die langs de kust voer en heel in de verte een containerschip, zo ver weg dat het niet leek te bewegen, als de kleine wijzer op een klok. In zijn buik rommelde de bemanning zich door het gangenstelsel, kleine Zuid-Amerikanen, hun vuile handen, de geur van stookolie en het onophoudelijke gebrom uit het ruim, uit de machinekamer; de pornoboekjes die ze onder hun hoofdkussen bewaarden, de opgekrulde foto’s van hun liefjes en kroost die ze aan de wand van hun hut hadden geprikt, naast een afbeelding van Maria, waar ze elke avond trouw een blik opwierpen voordat ze gingen slapen. Ze baden voor thuis, en voor een behouden vaart. Het hese gekrijs van de meeuwen die meevlogen langs de boeg, hun snavels donkergeel, vogels die al weken geen land meer in zicht hadden gehad, de zeewind en de diepe kleur van het water, het diepste blauw dat een mens ooit te zien zou krijgen.

‘Skip? Ben je daar nog?’

‘Oké,’ zei ik. ‘Ik boek een vlucht. Ik kom eraan.’