Helden en lafaards

Dertig jaar later bezoekt schrijver Aukelien Weverling de pretparken van haar jeugd. Wat blijft ervan over door volwassen ogen? En hoe beleeft de achtjarige Rafael ze nu? Vandaag: het Tikibad.

Foto Niels Blekemolen

Het gonsde in 1984 door de klas: Attractiepark Duinrell opende een zwemparadijs. Het heette Tikibad en het had de grootste, snelste en gevaarlijkste glijbanen van heel Europa. In sommige ging je zo snel als een brommer. In andere maakte het leven een vrije val. Daar in het Tikibad werden de helden en lafaards van elkaar gescheiden.

Ik was geen goede zwemmer en ik associeerde zwembaden vooral met een haak in mijn nek. In Duinrell maakte ik tijdens mijn eerste bezoek dan ook voornamelijk de walk of shame: terug de trap af omdat de glijbaan toch te eng was. Maar zoals mijn moeder me verzekerde: dat hoefde niemand uit de klas te weten, want niemand was mee geweest.

Raf heeft een vriendje mee: Bardur. Bardurs moeder is ooit in de Tyfoon geweest. „Dat is een heel gevaarlijke glijbaan”, zegt Bardur ernstig. Raf knikt: „Supergevaarlijk. Je kunt er dood aan gaan, toch Aukje?” Ik schud mijn hoofd: „Nee, als het goed is niet.”

Raf negeert mijn antwoord: „Weet je welke glijbaan zelfs nog gevaarlijker is dan de Tyfoon?” Bardur knikt: „De Flits.” Raf zucht: „Die is echt levensgevaarlijk. Maar daar mogen wij nog niet in. Daarvoor moet je 1,50 zijn.” Hij trekt een sip gezicht. Bardur klinkt zelfverzekerd: „Volgend jaar kan ik er in elk geval wel in, want wij eten biologisch. Dan groei je heel hard. Eten jullie ook biologisch?” Raf kijkt bedrukt voor zich uit: „Soms. Maar niet altijd.”

Ik ben mijn moeder geworden als ik even later roep: „Raffie, Bardur! Niet rennen! Niet aan elkaar trekken. Hee, wat zei ik nou over rennen?” Ze beginnen met de Pelikaanduik, een kleine vrije val in het water, om door te stomen naar de Cannon Ball, de Moonlight en de Starfright. Elke glijbaan heeft zijn eigen signatuur. Met lichtflitsen, met watervallen. De één gaat 60 kilometer per uur, de ander 70. Er worden hier nog steeds helden gemaakt, maar ik ben godzijdank geen negen meer. Ik heb de lafaard in mezelf omarmd.

„Het is wel lekker warm water”, zeg ik tegen een van de pubers met wie ik het bubbelbad deel. Ze haalt haar schouders op en kijkt verveeld voor zich uit. Ze is onderdeel van een groepje adolescenten dat bij elkaar op schoot is gekropen en nu de grenzen van het fatsoen aftast. Ook daar heb je helden en lafaards in.

„Aukje, kom je kijken hoe wij uit de Cycloon komen, want daar mogen we in! Dan tol je in een trechter!” Ze staan te trappelen naast het bubbelbad. „Wij durven dat! Durf jij dat?” Eenmaal uitgespuugd zien ze toch wel een beetje bleek, maar ze zijn precies oud genoeg om dit niet toe te geven. „Het was helemaal niet eng. We vinden het jammer dat we naar huis moeten van jou”, liegen ze.

Op weg naar de uitgang volg ik het gesprek van de twee jongens. „Het Tikibad is eigenlijk een soort paradijs voor mensen die hun B hebben, zoals wij.” Raf knikt: „Ik vond de Cycloon niet eng, jij?” Bardur schudt zijn hoofd: „Een eitje. Ik vond het ook jammer dat ik niet in de Flits mocht.” „Ja”, zegt Raf met enige weifeling. „Echt heel jammer.”

Ik pak ze vrolijk bij de schouders: „Geen zorgen, we gaan dit jaar lekker veel biologisch eten, dan kunnen jullie er volgende keer gewoon in.” Ze kijken me met grote ogen aan. Vergoelijkend zeg ik: „En als jullie niet durven is dat niet erg, want we nemen niemand anders mee. Helden.”