Als enige vrouw in de wiskunde val je wel op

Toen Ruth Curtain (1941) opgroeide, zag ze dat vrouwen minderwaardig waren. Verder leren? Zonde van het geld. Haar vader wilde dat ze op haar 14de van school ging.

Ruth Curtain kwam op haar 35ste naar Groningen, waar ze hoogleraar werd. Foto David van Dam

Dat vrouwen anders behandeld worden dan mannen, wist de Australische wiskundige Ruth Curtain (73) al toen ze heel jong was. „En dat vond ik zó onrechtvaardig.” Maar in haar eigen loopbaan is ze het niet zo tegengekomen, vertelt ze thuis in Groningen. Tot haar verrassing. „Toen ik studeerde had ik wel discriminatie verwacht, maar het kwam niet. Misschien ben ik een uitzondering, dat weet ik niet. En ik hoor de verhalen van andere vrouwen wel, maar u vraagt naar mijn ervaring.” Ze denkt dat ze er in haar carrière misschien zelfs baat bij gehad heeft dat ze vaak de enige vrouw was. „Daardoor viel ik op. Dat is heel belangrijk in de wetenschap. Tenzij je het slecht doet.” En dat deed zij niet.

Curtain kwam op haar 35ste naar Groningen, waar ze hoogleraar werd. Ze had toen al jaren in Engeland gewerkt, en daarvoor in de Verenigde Staten, en ze was eigenlijk niet van plan om in Nederland te blijven wonen. Maar toevallig kwam haar specialisme, systeem- en regeltheorie, juist in Groningen tot bloei. Dat is een deelgebied in de toegepaste wiskunde dat vergelijkingen ontwikkelt waarmee bijvoorbeeld het stabiel houden van een schip of het in een baan houden van een satelliet kunnen worden gemodelleerd. Curtain ging in 2006 met emeritaat, maar doet nog steeds onderzoek: „Makkelijk, als wiskundige.” En samen met een collega werkt ze aan een boek over oneindig-dimensionale systemen.

Het ergste seksisme heeft ze als kind in Australië meegemaakt, in de jaren 50. „Toen ik opgroeide was het duidelijk dat vrouwen minderwaardig waren. Je moest netjes zijn, en beleefd, mooi als het even kon, maar je hoefde niets te bereiken. Mensen vonden: vrouwen gaan toch trouwen, dus geld voor een opleiding is geen goede investering.” Hooguit kon je op de universiteit een goede man ontmoeten, maar dat was meer iets voor vrouwen uit de middenklasse. Curtain groeide op in een arbeidersgezin. Haar vader, huisschilder, vond dat ze van school moest op haar 14de; haar ouders kregen er ruzie over. „Mijn vader liep het huis uit en zei: ik kom nooit meer terug. Maar na drie dagen was er weer, hoor.” Had hij bij zijn moeder gelogeerd. „Hij was sterk onder invloed van zijn moeder. Je moet bedenken: seksisme zit in de cultuur in het algemeen, vrouwen doen evengoed mee als mannen. Toen een lerares van mijn moeder ooit vocht voor gelijk loon voor vrouwen, kwam evenveel weerstand van de vrouwen. Die konden niet maken dat ze thuiskwamen met meer geld dan hun mannen.”

Toen Curtain 15 was, wilde haar vader weer dat ze van school ging. „Maar inmiddels had ik geld voor schoolboeken gekregen. Mijn moeder zei tegen mijn vader dat ik dat dan zou moeten terugbetalen. Dat was niet waar, maar toen mocht ik op school blijven. En mijn drie zussen na mij ook.” Daarna haalde ze hoge cijfers op de universiteit en sloeg haar vader snel om. „Ja, toen kon hij bij iedereen opscheppen over zijn briljante dochter, wat ik vervelend vond.”

Curtain vond exacte vakken wel moeilijker, zegt ze. „Maar ik hield van de uitdaging en de voldoening als ik het helemaal begreep. Voor talen en geschiedenis moet je veel feiten onthouden, bij wiskunde alleen de structuren, dan kun je de rest zelf herleiden.” Haar favoriete vak was natuurkunde, maar het werd wiskunde. „Dat doe je achter je bureau. Je hebt geen apparatuur nodig en je hoeft niet heel lang op experimentele resultaten te wachten. En toegepaste wiskunde heeft een sterke binding met de natuurkunde.”

Maar wiskunde is wel een echt ‘mannenvak’...? „In Nederland, ja!”, zegt Curtain streng. „Het geloof dat vrouwen niet goed zijn in wiskunde zit nog heel diep in de Nederlandse cultuur. In Italië of Frankrijk of Oost-Europese landen is dat niet zo.” In de Verenigde Staten nog wel een beetje, toen ze daar in de jaren 60 met een Fulbright-beurs ging studeren. „Eén hoogleraar moest altijd glimlachen als ik de collegezaal inkwam.”

Ze promoveerde in 1969 aan Brown University (Providence, Rhode Island), werkte daarna nog anderhalf jaar aan Purdue University (Lafayette, Indiana) en vertrok toen naar Warwick University, Engeland. De beroemde feministe Germaine Greer (1939), net als Curtain (1941) geboren in Melbourne, werkte daar in die tijd ook. „Maar ik ben haar nooit tegengekomen.” Greer heeft duidelijk een andere keuze gemaakt, zegt Curtain. „Zij heeft dezelfde achtergrond als ik en ze heeft ervoor gekozen om te strijden. Ik heb ervoor gekozen om een succes van mezelf te maken. Er was ook behoefte aan voorbeelden, aan vrouwen die laten zien dat het kán.”

Curtain bewondert vrouwen die beide doen. „Maar je moet daar de persoonlijkheid voor hebben.” Wel was Curtain de eerste voorzitter van het succesvolle Groningse Rosalind Franklin Fellowship-programma, bedoeld om net gepromoveerde vrouwen te helpen op weg naar een hoogleraarschap.

Denkt ze dat ze inderdaad een voorbeeld is geweest voor jonge vrouwen? „Dat weet ik niet. Het probleem is dat vrouwen op jonge leeftijd zich liever niet identificeren met oudere vrouwen. En of een oudere vrouw die niet getrouwd is nou zo’n inspirerend voorbeeld is?” Want daarin heeft haar vader wél gelijk gekregen: die was altijd al bang dat ze niet aan de man zou komen. „Trouwen kwam er gewoon niet van”, zegt ze. „En toen ik er klaar voor was, waren de meeste interessante mannen al getrouwd. Maar mijn voornaamste doel is altijd geweest: ontdekken wie ik was en wat ik kon bereiken.” Ze heeft een vol leven. Ze reist veel, naar Azië en het Midden-Oosten, en ze volgt weer colleges. Onder andere geschiedenis.