Zoekend en struikelend overeind blijven

De VS verliezen steeds meer wereldwijde invloed. Daniel Sargent onderzocht de oorzaken van die neergang en concludeert dat het de VS telkens weer lukt hun macht te herstellen.

Beeld Thinkstock

De Europese deelname aan de eerder dit jaar door China opgerichte Aziatische Investeringsbank als tegenwicht voor de Wereldbank was het zoveelste bewijs dat de mondiale invloed van de Verenigde Staten neemt steeds verder afneemt. Was er in de jaren negentig nog sprake van Amerikaanse hegemonie, sinds het fiasco in Irak en de financiële crisis hebben de VS zich eerder moeten aanpassen aan de veranderende wereld dan andersom. Intussen wordt China steeds meer een rivaal.

De Amerikaanse historicus Daniel Sargent laat in A Superpower Transformed echter zien dat de VS zich weliswaar regelmatig hebben moeten aanpassen aan een veranderde wereld, mede dankzij het succes van hun eigen beleid , maar dat ze zich telkens, al zoekend en struikelend, als wereldleider wisten te handhaven. De jaren zeventig waren zo’n periode. Ook toen was vooral globalisering de oorzaak van die machtsafkalving.

Henry Kissinger

Sargent beschouwt die periode van détente in de betrekkingen met de Sovjet-Unie vanuit het perspectief van het heden. Overtuigend laat hij zien dat het in die jaren om veel meer dan de Koude Oorlog ging, onder meer door aan te tonen dat globalisering ook toen al ingrijpende gevolgen voor de VS had.

In de jaren zeventig werd vaak gesproken over interdependence, ‘onderlinge afhankelijkheid’, bijvoorbeeld door Zbigniew Brzezinski, president Carters latere nationale veiligheidsadviseur. Maar ook diens voorganger Henry Kissinger realiseerde zich dat er door de afkalving van de Amerikaanse financiële overmacht en de energiecrisis – beide zijn volgens Sargent goede voorbeelden van de ontwrichtende werking van globalisering – nieuwe accenten in het Amerikaanse buitenlandse beleid moesten worden gelegd.

Dat gold ook voor een ander aspect van globalisering: de mensenrechtenrevolutie. Die werd door ngo’s op de agenda gezet, bijvoorbeeld naar aanleiding van de Biafracrisis, de militaire staatsgreep in Chili, en geleidelijk aan ook via de steun aan dissidenten in het Oostblok.

Het was echter zelden eenduidig hoe een Amerikaanse regering met mensenrechten moest omgaan, vooral omdat de VS banden hadden met regimes die mensenrechten schonden. Als excuus werden vaak geopolitieke argumenten aangevoerd, zoals de Koude Oorlog.

Ook was het nooit eenvoudig om geopolitiek en staatssoevereiniteit te verenigen met het bevorderen van universele rechten en principes. Een kenmerk van de jaren zeventig is echter dat het dilemma onontkoombaar werd voor de beleidsmakers in Washington.

Sargent ziet een evolutie in het Amerikaanse balanceren tussen enerzijds de opkomende globalisering en de daarmee samenhangende afkalving van de Amerikaanse invloed in de wereld, en anderzijds de doeleinden van de Koude Oorlog. Zo zette president Nixon volgens hem de Koude Oorlog en de traditionele Amerikaanse hegemonie, de Pax Americana, voorop, en keek hij daardoor meer achter- dan vooruit. Kissinger veranderde echter van inzicht onder invloed van de oliecrisis van 1973-’74, en maakte vooral op economisch terrein coördinatie tussen westerse regeringen tot een speerpunt van zijn beleid.

Hoewel Kissinger volgens Sargent de kracht van het nieuwe mensenrechtenactivisme begreep, verzette hij zich tegen formele integratie ervan in het regeringsbeleid. Regeringen moesten volgens hem in hun eigen belang en in dat van de wereldvrede zaken met elkaar kunnen doen, zonder wederzijdse inmenging in hun binnenlandse politiek.

Jimmy Carter

Waar onder Republikeinse presidenten een heroriëntatie plaatsvond van de preoccupaties met de Koude Oorlog ten gunste van de globalisering, was de ontwikkeling onder de Democratische president Carter een tegenovergestelde. Sargent treedt hem welwillend tegemoet, omdat hij een buitenlands beleid formuleerde dat de Koude Oorlog oversteeg en serieus op de nieuwe wereldverhoudingen inspeelde. Toch erkent ook hij dat Carter de hardnekkigheid van het Oost-Westconflict en het groeiende verzet in de VS tegen de normalisering van de betrekkingen met Moskou onderschatte.

Met het oog op het groeiende belang van de Noord-Zuidbetrekkingen (een ander aspect van globalisering) wilde Carter ook de mensenrechten tot een speerpunt maken. Maar, zegt Sargent, hij ging daarbij zo onhandig en inconsequent te werk dat het resultaat mager was.

De Koude Oorlog drong zich op allerlei manieren aan Carter op; de pijnlijke overgang naar een postindustriële economie was nog in volle gang; de energiecrisis leek structureel. In zijn laatste twee jaar in het Witte Huis koos hij er in arren moede voor het Koude-Oorlogsoffensief tegen de Sovjet-Unie te hervatten. De VS hadden zich inmiddels zodanig aan globaliseringstrends aangepast dat de basis was gelegd voor de overwinning in de Koude Oorlog én voor een nieuw soort Amerikaans internationaal leiderschap. Maar in de crisisatmosfeer van 1979-’80 zagen slechts weinigen het zo.

Sargent illustreert hoe Amerikaanse leiders vaak heel goed begrijpen hoe de wereld verandert en daar ook hun beleid en strategie op los laten. Maar een van zijn conclusies is dat de waarde daarvan beperkt is. Er is eenvoudig te weinig zicht op eigentijdse en vooral complexe financieel-economische, politieke, en ideële veranderingen om er een effectieve strategie voor te ontwikkelen.

De Amerikaanse beleidsmakers in de jaren zeventig zagen niet goed hoe het oude en het nieuwe zich tot elkaar verhielden. Zo kregen ze uiteindelijk maar beperkt vat op de veranderingsprocessen van hun tijd. Tegelijkertijd laat Sargent impliciet zien dat de VS en hun bestuurselite relatief goed in staat zijn om in te spelen op processen van globalisering, al lijkt het op het moment zelf vaak op een wat hulpeloze zoektocht.