Ze worden opgepakt en dan gebeurt er te weinig

Tieners die willen meedoen aan de jihad worden soms op tijd tegengehouden. Ze krijgen een behandeling in een jeugdzorginstelling. Maar die schiet tekort, zegt de Kinderbescherming

Gedetineerden luchten op de binnenplaats bij de jeugdgevangenis Amsterbaken in Amsterdam. Foto Ilvy Njiokiktjien

Ze was 16 jaar toen ze verliefd werd op een IS-strijder. Ze leerde hem kennen via Facebook. Hij overtuigde haar naar Syrië te komen, om te trouwen. De veiligheidsdienst wist het meisje onderweg tegen te houden. En nu zit ze opgesloten: in een jeugdzorginstelling.

Zo gaat het met meer tieners die naar Syrië willen. In totaal vertrokken tot nu toe zo’n vijftig Nederlandse kinderen naar Syrië of ondernamen een poging daartoe. Om dit te voorkomen, worden ze door de overheid geplaatst in tehuizen van jeugdzorg. Omgeven door hoge hekken, met een slaapkamerdeur die ’s nachts op slot gaat. Daar ondergaan ze een ‘behandeling’ om af te komen van hun radicale denkbeelden. Maar die behandeling schiet tekort, vindt de Raad voor de Kinderbescherming.

Ten minste zeven minderjarigen zijn vastgezet in jeugdzorginstellingen wegens een dreigend vertrek naar Syrië. Nog eens negen kinderen van potentiële Syriëgangers zijn ondergebracht in pleeggezinnen. „Wij doen dit om kinderen tegen zichzelf te beschermen”, zegt woordvoerder Richard Bakker van de Raad voor de Kinderbescherming. Dat is de instantie die de rechter kan vragen een kind op te sluiten in de jeugdzorg. Het is een ultieme poging om te voorkomen dat een kind naar Syrië vertrekt, zegt Bakker. „Je haalt iemand uit zijn omgeving, dat kan een moment zijn waarop iemand beseft: het was een vergissing.”

Gedachten alleen niet genoeg

Het uit huis plaatsen van tieners is gebonden aan strenge regels. Het kan alleen als het noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind. Een jongere uit huis plaatsen enkel omdat hij radicaliseert, mag niet. „Wij gaan niet over gedachten”, zegt Bakker. Het staat een tiener vrij om voor IS te zijn. Pas als gedachten leiden tot problematisch gedrag – als de tiener bijvoorbeeld agressief wordt op school, zich afkeert van zijn omgeving, naar Syrië wil vertrekken – grijpt de Kinderbescherming in.

De rechter beslist of een tiener mag worden opgesloten. Wanneer er concrete aanwijzingen zijn dat hij of zij naar Syrië wil, stemt de rechter doorgaans in met gedwongen jeugdzorg, blijkt uit de beschikkingen. Afreizen naar oorlogsgebied bedreigt volgens de rechter de ontwikkeling van het kind. Soms blijft onduidelijk of een tiener op jihad wil. Zoals bij een radicale puber uit Arnhem, die een rugzak met kleren klaar had staan voor vertrek, maar ontkende dat hij naar Syrië wilde. De rechter plaatste hem niet uit huis, want gedwongen jeugdzorg is niet bedoeld om een jongere voor de zekerheid op te sluiten bij lichte vermoedens dat hij naar Syrië wil.

Wanneer een tiener in een instelling wordt geplaatst, krijgt die een gesprek met een radicaliseringsdeskundige om een beeld te krijgen van zijn motivatie om op jihad te gaan. Vervolgens wordt begonnen met de behandeling. Die verschilt per kind. De ene tiener is sterk onder invloed van de ideologie van IS. Dan volgen gesprekken met een islamgeleerde. Ook wordt een IS-deskundige ingezet, die de jongeren een beeld schetst van de omstandigheden waarin ze terecht zouden komen als hun jihadreis was doorgegaan. Andere tieners zijn vooral gefrustreerd over het leven, en hebben meer aan een psycholoog. Vaak is radicalisering slechts een deel van het probleem en gaat het ook op andere gebieden slecht met het kind.

Het behandelaanbod van jeugdzorginstellingen is onvoldoende toegerust voor deze complexe groep jongeren, zegt Bakker. Zo worden uitreizigers soms geplaatst in instellingen waar ze niet behandeld worden, omdat het aanbod er simpelweg niet is. Bakker: „Het is frustrerend om te zien dat jongeren die een behandeling nodig hebben, dit niet krijgen.”

Ook merkt de Kinderbescherming dat radicale pubers worden geïsoleerd in de instelling. Ze doen hun schoolwerk apart van de andere kinderen en doen niet mee aan groepsactiviteiten. Terwijl het volgens de Kinderbescherming juist belangrijk is voor radicale minderjarigen om contact te houden met leeftijdsgenoten. Bakker vermoedt dat jeugdzorginstellingen bang zijn dat zij invloed krijgen op de groep, en hen daarom isoleren. In de zoektocht naar een betere aanpak gaat de Kinderbescherming in gesprek met Jeugdzorg. Een woordvoerder van Jeugdzorg zegt dat zij de kritiek niet eerder heeft gehoord.

Heeft een verblijf in een jeugdzorgtehuis wel zin? Bakker durft er geen ‘ja’ of ‘nee’ op te antwoorden. Eén meisje heeft na verblijf in de instelling spijt betuigd over haar eerdere plan om naar Syrië te gaan. Daar staat tegenover dat andere kinderen woedend uit de instelling zijn gekomen, omdat ze naar hun mening onterecht zaten opgesloten. Tot nu toe is geen van de kinderen naar Syrië gereisd na vrijlating.

Ze raken juist eerder ‘besmet’

Radicale kinderen zijn een lastige doelgroep voor de gesloten jeugdzorg, zegt jeugdrechtdeskundige Maria de Jong, die aan de Universiteit Leiden promoveert met een onderzoek naar uit huis geplaatste kinderen. De rechter plaatst kinderen die naar Syrië willen meestal voor korte duur in een jeugdzorginstelling. Bijvoorbeeld een maand. „Juist die eerste maand zijn kinderen ontzettend boos en willen zo snel mogelijk weg”, zegt De Jong. „Wanneer je echt iets wil bereiken, heb je meer tijd nodig.”

Gesloten instellingen kunnen hierdoor slechts een „zeer beperkte bijdrage” leveren aan het heropvoeden van mogelijke jihadreizigers, zegt De Jong. Bovendien is er een gevaar dat jongeren hun radicale gedachtegoed verspreiden binnen de instelling. De Kinderbescherming erkent dat dit risico bestaat.

Maar alternatieve oplossingen zijn er nauwelijks, zegt De Jong. „De overheid wil voorkomen dat minderjarigen naar Syrië gaan, maar kan ze niet opsluiten in een jeugdgevangenis. Dan kom je uit bij de meest vergaande vorm van ingrijpen binnen de jeugdzorg: opsluiting in een instelling.” Of het helpt, weet ook de Kinderbescherming zelf niet. Woordvoerder Bakker: „Eigenlijk weten wij nog niet hoe we dit moeten aanpakken.”