Wat er echt in ons Indië is gebeurd

Zeventig jaar na het uitroepen van de Republiek Indonesië botsen de meningen over die tijd nog altijd. Twee boeken nuanceren het dekolonisatieproces, onder meer door ooggetuigen van Indonesische kant aan het woord te laten.

Zeventig jaar na de Japanse capitulatie zijn we nog altijd bezig met de verwerking van het drama dat zich in Indonesië heeft afgespeeld. Het trauma van de dekolonisatie, de vrijheidsstrijd en de repatriëring heeft diepe sporen nagelaten. Het lijkt wel of de aandacht voor dit deel van onze geschiedenis – en die van Indonesië – alleen maar toeneemt. Hoe komt dat? Waarom blijft de herinnering aan Indië zo sterk aanwezig in ons nationaal bewustzijn?

Ik denk dat daar drie redenen voor zijn. Allereerst de lange duur van de relatie. Nederland en Indonesië zijn al meer dan vierhonderd jaar met elkaar verbonden. Daardoor is het Indische element – net als het joodse – een onlosmakelijk onderdeel van onze cultuur geworden. Ten tweede: er is bijna geen familie in Nederland die niet door Insulinde is aangeraakt – de nieuwkomers uitgezonderd. En ten slotte: iedereen is het van harte met elkaar oneens. De meningen botsen tot op de dag van vandaag.

Indië bestaat niet meer. Daardoor kan een ieder zijn eigen Indië koesteren. Het maakt nogal wat uit of je daar de spreekwoordelijke paradijselijke jeugd hebt doorgebracht in een welgesteld Europees milieu, zoals Hella S. Haasse en Rudy Kousbroek, of dat je bent opgegroeid in meer bescheiden Indo-Europese kringen, zoals Tjalie Robinson. Het is een groot verschil of je de oorlog in een Japans kamp hebt doorgebracht, of dat je er buiten bent gebleven – dat laatste was ook problematisch.

Velen zijn kort na de Tweede Wereldoorlog naar Indië, een land dat zij niet kenden, gestuurd als dienstplichtige om er ‘rust en orde’ te brengen, en voelden zich nadien verraden. Anderen waren opgenomen in het KNIL, werden tegen hun wil gedemobiliseerd en ‘tijdelijk’ naar Nederland gestuurd, zoals de Molukkers. Dan is er nog de tweede generatie, die Indië niet uit eigen ervaring kent, maar een beeld van de ouders kreeg aangereikt. De derde generatie, minder gehavend dan voorgaande generaties, is vooral geïnteresseerd in hun roots.

Militaire confrontatie

Die enorme variatie in leeftijd, sociale en etnische achtergrond, en ervaringen is bepalend voor de visie op Indië. Sommigen houden nog altijd vast aan de normen en waarden van toen, anderen kijken naar de geschiedenis vanuit hedendaagse opvattingen. Dit alles leidt niet alleen tot een botsing van meningen, maar houdt ook de herinnering aan Indië levend.

Over wat er precies heeft plaatsgevonden tussen de Japanse capitulatie in 1945 en de soevereiniteitsoverdracht in 1949 zijn de afgelopen jaren in binnen- en buitenland tientallen studies verschenen, aangevuld met biografieën en memoires van een aantal sleutelfiguren in dit drama. Naarmate de afstand in tijd groeide, is het inzicht in de complexiteit van de geschiedenis alleen maar toegenomen. Nederland en de in 1945 uitgeroepen Republiek Indonesië stonden tegenover elkaar, maar waren ook intern verdeeld. De Japanners waren nog niet meteen uit Indië verdwenen, de Britten raakten direct betrokken bij de gevechten, de Amerikanen oefenden sterke druk uit. Sommigen kozen voor een militaire confrontatie, anderen geloofden via diplomatiek overleg een uitweg te vinden. Voorts bestond er bij alle betrokkenen een groot verschil in inzicht en kennis van zaken. Maak uit dit alles maar eens een sluitend en bevredigend verhaal.

Een van diegenen die zijn sporen op dit terrein heeft verdient, is J.J.P de Jong. Zijn onderzoek resulteerde in twee gedetailleerde reconstructies: Diplomatie of strijd (1988) over de beginfase van de dekolonisatie, en Avondschot (2011) over de eindfase. Nu heeft hij zijn bevindingen, aangevuld met nieuw onderzoek van hemzelf en anderen, uitgewerkt tot een synthese van het gehele dekolonisatieproces en de nasleep daarvan, onder de titel De terugtocht.

Zijn uitgebreide en heldere weergave van de gebeurtenissen volgt de geschiedenis op de voet. In zijn ontmythologiserende studie gaat hij in discussie met andere historici en laat hij zien dat het afscheid van Indië veel meer nuances kent dan in de publieke opinie zijn doorgedrongen. Opmerkelijk is zijn postscriptum, dat ‘Tussen trauma en verwerking’ heet. Onder invloed van de onthullingen van Hueting in 1969 over de in Indië gepleegde oorlogsmisdaden ontstond een sfeer waarin men het politieke establishment uit de periode 1945-’50 verweet zich unaniem tegen de Indonesische onafhankelijkheid te hebben gekeerd. Dat was niet terecht. Sommigen hebben uit volle overtuiging de onafhankelijkheid van Indonesië naderbij willen brengen.

De Jong is, met de Leidse historicus H.L. Wesseling, van mening, dat de typering van die periode als ‘een inktzwarte bladzijde in de geschiedenis’ een simplificatie is, die niet door de feiten wordt gestaafd. Wat is er nu werkelijk gebeurd? Onder historici wordt een levendig debat gevoerd, waarvan de resultaten niet of nauwelijks in de publieke opinie doordringen. Intussen woedt er ook een debat dat De Jong typeert als ‘een zichzelf repeterende breuk met verstarde, in rotsvaste zekerheden vastgeroeste visies’.

Trauma’s

Aan de ene kant zij die vasthouden aan het beeld van een rechtvaardige oorlog en de trauma’s die daar op volgden; aan de andere kant de veroordeling van ‘het verkeerde verleden’ en diepe schaamte daarover. Al met al een uitstekende studie. Wie weten wil, wat er nu écht is gebeurd, kan dit boek niet ongelezen laten.

Wat heeft dit alles betekend voor de betrokkenen? Waar het bij De Jong vooral om de historische feiten gaat, wil Kester Freriks in zijn Echo’s van Indië laten zien, hoezeer het leven van velen is bepaald door de gebeurtenissen van toen. Zijn boek is een verrassende mengeling van gesprekken met vertegenwoordigers van uiteenlopende groeperingen, eigen ervaringen en impressies. Uit al deze verhalen en herinneringen ontstaat geleidelijk aan een caleidoscopisch beeld van de relatie tussen Nederland en Indonesië.

Zo geeft Freriks de notities weer van een vrouw, die eind 1939 van plan was naar Indië te gaan. Ze volgde een cursus van de Stoomvaart Maatschappij Nederland, en wat ze daar vernam werd opgetekend in een schoolschrift, waaruit Freriks uitbundig citeert. Waar moest je allemaal aan denken? Wat nam je mee aan kleding, schoeisel, keukenspullen en anderszins? De bespreking van gewoonten en gebruiken aldaar roept een koloniale wereld op, waar Freriks zich over verbaast. Zijn conclusie dat de blanken van toen zich op geen enkele manier aanpasten, deel ik niet. Wat bedoelt hij daarmee? Alle praktische tips zijn immers gericht op het leven in de tropen?

Er komen veel Indonesiërs aan het woord. Freriks is er in geslaagd om te praten met hoogbejaarden die nog actief aan de vrijheidsstrijd hebben deelgenomen, als militair dan wel als pemoeda (guerrilla-vrijheidsstrijder). Hun kritiek op het Nederlandse bewind en het militaire optreden is niet mals. Samen met een voormalige pemoeda bezoekt hij de plek waar Soekarno, terzijde gestaan door Hatta, op 17 augustus 1945 zijn Proklamasi (onafhankelijkheidsverklaring) voorlas. Beide Indonesische leiders zijn daar nu in drie meter hoge standbeelden vereeuwigd.

Tussen de bedrijven door schetst Freriks een beeld van de koloniale geschiedenis, vooral gezien vanuit Indonesisch perspectief: de harde onderdrukking van opstanden in het verleden, de opkomst van de nationalistische beweging, het proces tegen Soekarno. De Japanse bezetting toonde de Indonesiërs dat de blanken niet almachtig waren. Vele vrijheidsstrijders kregen in de Japanse tijd een militaire training, die hen later goed van pas kwam. Soekarno en Hatta werkten met de Japanners samen, Soetan Sjahrir, de eerste premier, deed dat niet.

Ondertussen verbleven naar schatting zo’n honderdduizend burgers in de Japanse kampen. Dat liet onuitwisbare sporen na, ook bij de kinderen. Een jongen die zes was toen hij het kamp inging, vertelt zijn ervaringen van toen. Zijn vader was toen in Birma (‘Elke nacht kwam de krijgsgevangenschap rondspoken in het hoofd van mijn vader.’) Wie handel dreef met de Indonesiërs buiten de omheining, werd zwaar gestraft. Naarmate de oorlog langer duurde, werd het voedsel schaarser, braken ziekten uit waar geen medicijnen voor waren. Het sterftecijfer was hoog. Sommige jongens moesten dienst doen als lijkenwacht.

Na de oorlog was er het onbegrip in Nederland, met zijn hongerwinter en verzetsheroïek. In totaal zijn er tussen 1946 en 1968 – dus na het Nieuw-Guinea-conflict – zo’n driehonderdduizend mensen naar Nederland gekomen.

Voor velen was de bersiap, de periode tussen oktober 1945 en maart 1946, het ergst. Ongeorganiseerde bendes van pemoeda’s zwierven door de straten. Ze maakten vele slachtoffers, vooral onder de Indo-Europeanen. Maar ook Chinezen en Molukkers werden afgeslacht. Men schat dat in totaal zo’n twintigduizend mensen het leven lieten in een orgie van geweld. Iedereen die verdacht werd van Hollandse sympathieën, kon vermoord worden. Bescherming was er niet. De Japanners, die na de capitulatie de opdracht hadden gekregen om de mensen in de kampen te beschermen, deden dat ook, maar hielden zich verder meestal afzijdig. En de Britse troepen, die eerder dan de Nederlandse op Java waren geland, wilden hun handen daar ook niet aan branden – uitzonderingen daargelaten.

Jongens uit Zeeland

Bij Freriks komen ook de dienstplichtigen aan het woord. Jonge jongens uit Zeeland, uitgestuurd naar een land dat zij niet kenden. Ze zouden rust en orde moeten brengen, maar kwamen in een onafhankelijkheidsstrijd terecht. Wreedheden werden met wreedheden vergolden, en achteraf voelden ze zich verraden. Na de onthullingen van Hueting begon men in hun omgeving kritische vragen te stellen. En elk jaar gedenken zij de dood van een gesneuvelde kameraad. In totaal zijn er bijna zesduizend Nederlandse militairen omgekomen, tegenover naar schatting honderdduizend Indonesiërs, zowel van het reguliere Indonesische leger, de TNI, als van de pemoeda’s.

Dan zijn er nog de ervaringen van de Chinese bevolkingsgroep, die het ook vaak moest ontgelden, tot op de dag van vandaag. Ook hun geschiedenis en hun lotgevallen worden geschetst in gesprekken met mensen die het hebben meegemaakt. Dit geldt evenzeer voor de Molukkers: van de gedwongen demobilisatie (‘Voor een kind is het onverdraaglijk zijn vader elke dag te zien als een gebroken man’) tot de Drentse treinkaping aan toe. Zo komen in dit kleurrijke boek tientallen personen met een uiteenlopende achtergrond aan het woord, allemaal met hun eigen verhaal.

Zulke getuigenissen kenden we natuurlijk al, maar Kester Freriks probeert zich dus ook in de Indonesische visie op het drama te verplaatsen. Dat is het bijzondere aan dit boek. Wat ik jammer vind, is dat hij misschien ook daardoor soms te afwijzend over het koloniale verleden schrijft, vanuit de opvattingen van nu. De schaamte overheerst. Hier zouden meer nuances op hun plaats zijn geweest. Maar verder mag Echo’s van Indië als evocatie van onze band met dat land in de tropen, als sfeertekening en door de stem die hij geeft aan al die indringende verhalen zeer geslaagd heten.