Utrechtse ridders in harnas – tot 1977

Portret landcommandeur Ridderlijke Duitsche Orde, Balije Utrecht Hendrik Casimir I van Nassau, stadhouder Friesland; Gerard van Honthorst. 1656.

De ‘Ridders van de Duitsche Orde in de Utrechtse Balije’ houden al sinds 1346 kantoor in een statig pand aan de Springweg in de Utrechtse binnenstad.

De oorsprong van de orde gaat zelfs met nog eens ruim honderdvijftig jaar verder terug, naar de Derde Kruistocht omstreeks 1190. De Duitse orde bestond toen uit adellijke monniken uit het gehele Duitse keizerrijk, waar toen ook de Nederlanden toe behoorden.

De ridder-geestelijken stelden zich ten doel de veroverde gebieden in het Heilig Land te beveiligen en gewonde kruisvaarders te verzorgen.

In de loop van de tijd is er veel aan de activiteiten van de orde veranderd maar het liefdadige aspect is tot op de dag van vandaag gebleven. Aan de geschiedenis van de Duitse orde, en meer in het bijzonder de Nederlandse tak, die zich in de zestiende eeuw heeft afgesplitst om als protestants genootschap verder in te gaan, wijdt het Utrechtse Centraal Museum een informatieve tentoonstelling.

Blikvanger in de expositie is een serie van portretten van de landscommandeurs van de Utrechtse Balije (ordensprovincie), die in de eerste zaal is opgehangen. Ze zijn afkomstig uit de ridderkamer van het Duitse Huis en zijn nooit eerder als complete serie aan het grote publiek getoond. Liefst tachtig beeltenissen van de voorzitters van 1231 tot nu vormen een keurige rij op panelen waarop ze met twee, drie of vijf tegelijk knielend zijn weegegeven. Allen voeren een adellijke titel en familiewapen.

En of ze het echt deden of niet, tot 1977 dragen ze allemaal een harnas onder hun ordemantel.

De portrettenreeks, waaraan zowel onbekende schilders als beroemde Utrechtse meesters zoals Paulus Moreelse en Gerard van Honthorst hebben meegewerkt, is pas in 1590 begonnen.

Een behoorlijk aantal van de portretten van de vroegste commandeurs zijn dus aan de fantasie van de schilder ontsproten. En ook in latere periodes verslofte het project soms, waarna soms een inhaalslag moest worden gemaakt.

Het is aardig om in de tentoonstelling te proberen te achterhalen welke portretten een zo levendige en gedetailleerde indruk maken dat ze direct naar het model zullen zijn geschilderd.

Na de spectaculaire portrettenreeks heeft de expositie een wat minder vaste greep. Aan de hand van vele voorwerpen en kunstwerken, deels uit het bezit van de Duitse orde, wordt met wisselend succes een beeld gegeven van de geschiedenis van Utrechtse Balije. Zo toont in de afdeling ‘Kruistochten’ onder meer een fraaie Osmaanse sabel met een schede van goud met edelstenen. Het wapen dateert echter uit de zestiende eeuw en heeft dus niets te maken met de oorspronkelijke kruistochten.

Relevanter is bijvoorbeeld een schitterend gegraveerde glazen dekselbokaal met het wapen van Frederik Willem Taeck, gemaakt ter gelegenheid van diens aantreden als landscommandeur in 1733. Het glas staat bij een collectie voorwerpen die iets laten zien van de luxueuze landdagen die de ridders enkele malen per jaar in Utrecht hielden.

Dat men daarbij na de maaltijd graag een pijpje smoorde moet dan weer duidelijk worden uit een rijtje van vijftien onopvallende aarden pijpen die ongetwijfeld zijn gevonden in een willekeurige Utrechtse beerput.