Column

Speuren naar jonge klauwieren

Onlangs vingen biologen op de Veluwe een zeldzaam vogeltje dat een schat bij zich droeg. Een schat aan data. Op zijn rug droeg deze grauwe klauwier een piepklein apparaatje van nog geen gram, dat een jaar lang zijn locatie had geregistreerd.

De biologen waren dolblij. In 2014 hadden ze twintig jonge klauwieren gevangen toen die net waren uitgevlogen. Die hadden ze een datalogger omgehangen – voor het eerst bij ‘eerstejaars’ klauwieren. Langs welke route zouden die naar het zuiden vliegen? Niemand die het wist. Maar als ze niet zouden terugkeren, of zich niet weer zouden laten vangen, dan zouden de data verloren gaan.

De spullen waarmee je dieren kunt volgen, worden alsmaar kleiner en lichter. Gelukkig maar, want iedere gram, ieder touwtje of lintje kan een dier hinderen in zijn toch al zware bestaan. Wolven, zwanen en haaien kun je best een halsband om doen, een rugzakje of een staartvin-‘tag’ met een gps erin. Die zendt een signaal uit. Maar zo’n zware gps is geen optie voor een klauwier, die nauwelijks groter is dan een mus.

Maar sinds een paar jaar bestaan er ultralichte microloggers. Die zenden niet, maar registreren enkel hoe laat de zon opkomt en ondergaat. Elke dag, wel twee jaar lang. De daglengte op een bepaalde datum vertelt hoe zuidelijk de vogel zit. De tijd van zonsopkomst verraadt zijn oost-westpositie. Zo kun je achteraf de trekroute reconstrueren – als je de vogel weet te vangen.

„Veel mensen denken dat trekvogels simpelweg heen en weer naar Afrika vliegen”, zegt Marijn Nijssen. Hij werkt voor Stichting Bargerveen, die het klauwierenonderzoek uitvoert. „Maar het ligt ingewikkelder. Dat weten we uit onderzoek bij volwassen vogels.” ‘Onze’ klauwieren blijven eerst een tijdje in Zuid-Europa, vliegen in één keer de Sahara over en blijven dan achtereenvolgens een paar weken in Centraal-Afrika, in Zuidelijk Afrika en ten slotte in Ethiopië. Via het Arabisch Schiereiland vliegen ze weer terug – in totaal ruim 25.000 kilometer per jaar.

„Maar we weten niet wat de eerstejaars doen”, zegt Nijssen. „Daarvan keert in het voorjaar maar 10 tot 20 procent terug. Bij volwassen vogels is dat de helft. Is dat puur omdat ze nog jong zijn? Of heeft het ook te maken met een andere timing of een andere trekroute?” Die informatie, vertelt Nijssen, is belangrijk om de ‘hotspots’ langs de route beter te kunnen beschermen. Hoewel er vooral in ons eigen land veel moet gebeuren, merkt hij op. Rond 1900 telde Nederland zo’n 10.000 broedparen, begin jaren 90 waren het er nog maar honderd. „Dat komt vooral door het verdwijnen van het kleinschalige landschap”, zegt Nijssen, „met bosjes en houtwallen waar ze in broeden.” Ook hun voedsel, namelijk grote insecten, vind je weinig meer.

Nu broeden er weer 300 paar in ons land. Eén jonge klauwier bracht nu data terug – die moeten nog worden geanalyseerd. Nog 19 zijn er zoek. Maar één is al heel mooi, vindt Nijssen: als ze al overleven, keren de jonge vogels niet altijd terug naar hun geboorteplek. En ze laten zich lastig vangen. „We zetten nu alles op alles”, zegt Nijssen, „want binnenkort zullen de eerste alweer naar het zuiden trekken.” Dus speur allemaal mee naar klauwieren met blauwe kleurringen. Dat zijn de dieren met een schat op hun rug.