‘Schrijver zijn maakt mij niks uit. Ik schreef altijd al alles op’

Na negen jaar zwijgen is er een nieuwe roman. Dit keer hebben de hoofdpersoon en haar eerste minnaar dezelfde vader. „Naarmate je beter formuleert, wordt het allemaal gekker.”

Nicolien Mizee: ‘Naarmate je beter formuleert, wordt het gekker. Er blijft een uitgeperste zin over’ Foto Roger Cremers

‘Ik dacht, nu is het gebeurd”, zegt Nicolien Mizee (1965). „Ik had het allemaal een keer gedaan. Een autobiografisch boek. Toen een iets minder autobiografisch boek. En toen een compleet verzonnen boek. Wat nu? Ik probeerde het, ik dacht, ik ben toch schrijver? Er kwam niks.”

De lezers waren dol geweest op haar debuut Voor God en de sociale dienst, over een jonge vrouw die niet werkt en toch wil eten. Haar tweede boek, het argeloos krankjorum vertelde Toen kwam moeder met een mes, werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs 2004. Haar derde roman, En knielde voor hem neer, werd minder goed ontvangen.

Negen jaar later, deze zomer, kwam Mizee met een nieuwe roman. De halfbroer. Over de ontdekking van de hoofdpersoon dat haar eerste minnaar dezelfde vader heeft als zij. „Op de uitgeverij vonden ze het een spectaculaire geschiedenis. Je hoeft het alleen maar op te schrijven, zeiden ze. Maar mij kon het eigenlijk niks schelen dat Paul, Arthur in dit boek, mijn halfbroer is.”

Die halfbroer zorgde voor de titel, maar in Mizees roman is hij een edelfigurant in een verhaal dat over veel meer gaat. Over het overleven van een absurde jeugd, met een tiranniek overspelige vader en een vampiermoeder. Over de muffe mallemolen van depressies. Over een vrouw die tot haar verrassing smoorverliefd wordt.

Dus toch: een schrijver.

„Schrijver zijn maakt mij niks uit. Ik schreef altijd alles al op. Alleen lezen andere mensen het nu ook. Wat lastig is, want ik kan niet langer doen of ik onzichtbaar ben. Daarom ben ik sinds mijn tweede boek opgehouden als schildersmodel. Ik vond dat prettig om te doen maar voelde me ineens opgelaten in mijn blootje omdat mensen me in de pauze vroegen of ik mijn boek wilde signeren. En het is heel vervelend, maar sinds De halfbroer is verschenen ben ik in een depressie terecht gekomen. De vrouw die ik in dergelijke gevallen raadpleeg, ze komt een beetje voor in Toen kwam moeder met een mes, als de helderziende pedicure – niet dat ze echt pedicure is, hoor – zei: ‘Dat is het succes. Dan ben je bang dat je iets moet.’ Daarom kan ik beter doen of het niet bestaat, dat schrijverschap.”

Voor de hoofdpersoon van ‘De halfbroer’ lijkt het schrijver zijn een soort houvast.

„Ik heb dat schrijverschap ingezet tegen de koketterie van de onzekere vrouw. Die hoofdpersoon mocht geen leuke stuntel worden. Zodra ze iets deed wat leek op hulpeloos doen, schreef ik het net zo lang opnieuw tot er gewoon stond wat ze dacht, hoe onzinnig ook. Naarmate je beter formuleert, wordt het gekker. Er blijft een uitgeperste zin over. Bovendien gaf ik haar – mij dus – succes als schrijfster. Zo kon ik ook mijn ervaringen in de literaire wereld gebruiken, met de christelijke vrouwenleesclub bijvoorbeeld en met de redactie van Het Baken, in werkelijkheid De Gids.”

Is alles wat je beschrijft echt gebeurd?

„In eerste instantie wel. Voor De Halfbroer heb ik nog het minste verzonnen. Behalve dat ik drie jaar in een half jaar geplempt heb. Want het zou voor die hele Rob van Dijk niets zijn om al na een paar maanden die vrouw, mij dus, ten huwelijk te vragen. Dat heeft in werkelijkheid veel langer geduurd. Maar ik denk altijd: als je het maar heel goed opschrijft, valt het niemand op.

„Op mijn 28ste woonde ik nog altijd alleen en ik had nooit vast werk. Mijn leven bestond uit de sportschool en die vervelende mevrouw bij de slager. Ik had me ingeschreven bij de Schrijversvakschool. Daar kreeg ik onder meer les in scenarioschrijven, van toneelschrijver Ger Beukenkamp. Hij maakte indruk op me, ik begon hem te faxen wat ik dacht. Eerst ging het alleen over scenarioschrijven, allengs begon ik er anekdotes in te verwerken, en overdenkingen. Het was bijna een biecht. Maar het moest wel leuk blijven, want de bedoeling was dat hij het zou lezen. Hij gaf nooit antwoord. Dat scenarioschrijven werd niets, maar op Gers advies ben ik van die faxen een boek gaan maken. Dat werd Voor God en de sociale dienst.

„Sinds ik getrouwd ben is het minder geworden, ik heb nu een man om tegenaan te kletsen. Maar ik schrijf Ger nog altijd. De halfbroer heb ik weer grotendeels uit faxen aan hem gehaald.”

Dus het is altijd Ger gebleven.

„Ja. Als ik het echt niet meer weet, als ik denk wat bewéér ik hier nou eigenlijk, dan leg ik hem dat voor. Leuke titel trouwens: ‘Het is altijd Ger gebleven’.”

Je geeft nu zelf les aan de Schrijversvakschool. Wat breng je je leerlingen in de eerste plaats bij?

„Dat de keuze voor een groot onderwerp een heel groot probleem is. Bij De halfbroer worstelde ik vreselijk met de vraag: waarom is alles zo misgelopen met mij, toen ik veertien was? Het werd gezeur, d’r moest iets positiefs bij. Tenslotte bedacht ik: ik pak het heel eenvoudig aan. Ik doe girl meets boy. De hoofdpersoon wordt verliefd op die Rob van Dijk. Haar zekerheid over die verliefdheid kan ik afzetten tegen al die mislukkingen. Verder moest ik een plaats vinden voor allemaal leuke verhalen die ik wilde gebruiken, zoals over de spontane zelfontbranding. Dat legde ik mijn zus in de mond. Die was daar een beetje verbolgen over. Ze zei: ‘Spontane zelfontbranding, dat is nou een van de weinig dingen waar ik níet in geloof’ – wat op zichzelf weer een heel geestige zin is. Wacht, zei ik, die schrijf ik even op, die plak ik nog wel op iets anders.

„Mijn streven is dat de lezer van mijn boeken elk woord leest. Dat is een heel werk. Ik probeerde laatst weer een Nicci French te lezen: ‘Eerst maar even een kop thee. Ze pakte de ketel. Ze deed er water in.’ Schrijf je dat, dan slaat de lezer het over. Het kán wel, maar dan bijvoorbeeld zo: ‘Waarom waren theeketels altijd zilverkleurig, vroeg ze zich af’.”

Mizee haalt thee, gaat zitten en zegt: „Ik wil nog altijd eens een column schrijven over de schaal van het lijden.”

Wát?

„De schaal van het lijden. Dat het plotmateriaal voor drama en slapstick en alles er tussenin hetzelfde is. Jij wordt door de bliksem getroffen, je valt dood neer. Of dat melodrama wordt of slapstick hangt af van de mate waarin we stilstaan bij het lijden. Ik kan zeggen: Oh! Nee! Joyce!! Joyce!!! Maar ik kan ook beteuterd zeggen: … en ik had net thee gezet! Het gaat erom hoezeer je het publiek laat mee-lijden.”

Je beschrijft in ‘De halfbroer’ hoe je bij het schrijven zit te janken.

„Voor Toen kwam moeder met een mes heb ik bepaalde scènes huilend geschreven. Ik dacht: wat is dat zielig. Dat kind wil het zo graag gezellig hebben. En de moeder bederft dat. De vraag is: waarom doet die moeder dat? Mijn moeder en ik hebben geen contact meer, maar dat betekent niet dat ik maar raak schrijf. Van al te nare dingen zie ik af. Ik was van plan om de moeder in De halfbroer weg te laten, ik wilde haar niet wéér zo negatief opvoeren. Maar het ging niet. Ze is doorslaggevend en ook nog eens een geweldig personage.

„Wat seksualiteit betreft ben ik zonderling opgegroeid. Hoe je dat perverteert, heb ik in dit boek gebruikt: hij heeft zo lekker voor me gekookt, nu móet ik. En daar schrikt die jongen van. Zijn schrik verwart haar weer, waarna ze het in geen dertig jaar meer doet. Ze leert die Rob van Dijk kennen, tot zover liep mijn boek gesmeerd. Maar toen kreeg ik het moeilijk. Waar is ze zo bang voor? Het was pijnlijk om te erkennen: voor die seks. Ze denkt, nou ja, dat moet nu eenmaal. Maar nu moet ze het ook nog leuk vinden. Die tegenstrijdigheid is cruciaal en ik heb lang over die passages gedaan. Waardoor het vanzelf humoristisch is geworden.”

En de vader? Die houd je uit de wind.

„Ja. Ja. Rob (Mizees echtgenoot, red.) heeft dat ook weleens voorzichtig te berde gebracht.”

Ze zwijgt.

„Ik denk dat ik de vader – en dat is ook mijn vader, dat is redelijk één op één – minder hard val omdat hij gewoon deed waar hij zin in had. Dat kan vervelend zijn voor anderen, maar het is tenminste duidelijk. Ik denk met plezier aan hem terug. Anderen vinden dat niet helemaal eerlijk, maar gevoel kunnen we nu eenmaal niet dwingen. En rationeel zijn we ook niet. ”

Je werk wordt nogal eens vergeleken met dat van andere schrijvers. Wie heeft jou volgens jouzelf beïnvloed?

„Voor De halfbroer wilde ik twee boeken combineren. Mijn familie en andere beesten, de bundel korte verhalen van natuurbeschermer Gerald Durrell over dieren en over zijn idiote familie. En Kaas van Elsschot. Kaas lag open naast me bij het schrijven. Dat gaat uiteindelijk over een man die besluit iets te doen wat niet bij hem past: een kaashandel drijven. Dat idee heb ik gepikt. Ik dacht, ik ben geen Elsschot. Ik doe het op mijn manier, niemand die het merkt.

„Mijn schrijfster uit De halfbroer heeft succes. Daardoor komen er dingen op haar pad waar ze niet goed in is, maar waar ze zich niet aan kan onttrekken. Ik heb telkens gekeken hoe Elsschot het aanpakte. De betere kringen in Kaas – dat is helemaal mijn Het Baken-verhaal. De halfbroer moest een grotemensenboek worden waar je om kunt lachen, en dat ook gezellig is. Literatuur is namelijk bijna nooit gezellig. Literatuur is vol getob en eenzaamheid. Maar in Kaas beschrijft Elsschot die man ook thuis, bij zijn kinderen en zijn vrouw. Dat werkt sterk: als iemand uit een veilige haven de enge grote wereld in moet. Dat doe ik ook, via het gezin van mijn zus.

„Die methode is me goed bevallen. Voor mijn volgende boek wil ik Nescio combineren met Agatha Christie.”

Wat wordt dat voor iets?

„Een detective. Die lees ik zelf erg graag. Ik houd van Agatha Christie. Niet alleen om haar plots, maar om haar stijl. Tachtig, negentig jaar oud zijn haar boeken en nog zó goed leesbaar. Ze bestudeerde haar hele leven Shakespeare. En al die interessante gedachten over hem strooit ze terloops door haar boeken. Niet: weet je wat ík heb bedacht en dan uitpakken, maar via twee mensen op een bushalte. Ze hebben het over Regan en Goneril, de dochters van King Lear. En dan steekt er iemand een dolk in iemands rug.”

Een detective schrijven is lijn aanbrengen in de chaos.

„Ja.”

Een belangrijk onderwerp in al je boeken is het besef dat er meer chaos is dan orde.

„Omdat dat de moeilijkheid is. Je probeert altijd een lijn te vinden. Vriendinnen van mij zoeken het in esoterische toestanden, in kabouters en oliën en volle maan. Ik probeer ook een lijn te vinden. In de democratie. In de natuurwetenschap. Mijn hoofdpersoon in De halfbroer is nadrukkelijk bezig om alles zo exact mogelijk te formuleren. Wanneer ze wordt overvallen door die enorme, redeloze verliefdheid drijft haar dat bijna tot waanzin.”

„En toch kan ik het niet uitstaan als er wordt gezegd: de waarheid bestaat niet. Dan denk ik, sommige waarheid bestaat wél: water kookt bij 100 graden.”

Dat hangt er vanaf waar je bent.

„Klopt. Het is lastig. Maar okay, denk ik dan, we zijn eruit. En dat schrijven we op. En als je dat héél goed doet, hoef je er nooit meer over na te denken. Dan krijg je de hoofdprijs.”