In Oranje ben je voor of tegen de asielzoekers

Na felle protesten wonen er sinds een half jaar vluchtelingen in het Drentse kanaaldorp Oranje. Hoe gaat dat? Over brand in het Pipopark en tweespalt onder de bewoners. „Jullie zijn allemaal mongolen hier.”

Door Wubby Luyendijk Foto’s Sake Elzinga

De lucht trilt boven Oranje. Het kanaalwater ligt er bruin bij. Twee buurmeisjes springen van de steiger. Ze zwemmen naar een surfplank en duwen elkaar het water door. Zittend, liggend, als ballerina’s op één been. Totdat ze slap van de lach kopje onder gaan.

Bovenop de brug staan andere kinderen. Een smachtende Afrikaanse jongen en vier Syrische meiden in zwarte skinny’s, de nagels gelakt. Ze wonen in het asielzoekerscentrum, schuin aan de overkant. De zon brandt, het asfalt zweet. Willen zij het water niet in? Dat mag niet van Allah, zegt het enige meisje dat Engels spreekt. En ze wijst naar haar hoofddoek en de hemel.

Dat was de eerste zomerdag wel anders. Pardoes sprongen een stuk of twintig vluchtelingenkinderen van de fiets het kanaal in, de kleren nog aan. Jongens en meisjes, ze kwamen van school. Er stonden ook twee ukkepukkies zonder ouders, vertelt Gerda de Jong in haar achtertuin. Pal voor haar deur, kijk, de foto’s staan nog op haar iPad. „We hebben toen de politie gebeld.”

Buurman Gerard: „Het kanaal zag zwart van de negers.” Gerda: „En spartelen dat sommigen deden. Stel je voor dat iemand verdrinkt.” Haar man John: „Nu mogen vluchtelingen hier alleen nog onder begeleiding zwemmen.” Gerda: „Onze kinderen van Oranje voelden zich bedreigd.” John: „Het botert soms niet.” Afgelopen week riep een vluchtelingenventje van een jaar of twaalf: ‘jullie zijn allemaal mongolen hier’. John hoorde het en riep het gastje bij zich. „Hij kwam niet, maar een grotere jongen wel. Die maakte excuses.”

Pipohuisjes

Oranje stond op zijn kop afgelopen herfst. Toen bleek dat in het Drentse kanaaldorp met een brug, een bushalte en amper 140 zielen maar liefst 1.400 vluchtelingen zouden worden gehuisvest. De burgemeester, vakantieparkeigenaar Hennie van der Most en het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers hadden dat besloten buiten het dorp en de gemeenteraad om.

De bewoners zamelden handtekeningen in en protesteerden op straat, in de raadszaal en bij het een na het andere praatprogramma. Met succes. Niet 1.400 maar 700 asielzoekers verblijven nu in de Pipohuisjes van het zieltogende vakantiepark. Voor de duur van hooguit drie jaar. Een handjevol dorpelingen werkt er. Afgekeurd vrachtwagenchauffeur Max is er huismeester.

De dorpelingen hebben zich erbij neergelegd. Een regiegroep met inwoners uit Oranje houdt de vinger aan de pols. Maar van harte gaat het bij de meesten niet. Het steekt dat protesten in Rekken en Rijs wel leidden tot het afblazen van opvang. En vervelender: „de vluchtelingen hebben de leefbaarheid in het dorp negatief beïnvloed”, zei een meerderheid van de dorpsbewoners in een onderzoek van bureau Intraval.

De buurtbus wordt overvraagd

Het internet is overbelast en vaak uit de lucht. De buurtbus wordt overvraagd. Je hebt constant trammelant, zegt een vrijwilliger die na de zomer wil stoppen. „Stappen ze in de bus met z’n zestienen in plaats van met acht. Betalen ze voor een ritje van twee euro met een vijftigje.” Ook op straat ervaren bewoners overlast – sommige vluchtelingen hangen luidruchtig tot laat op straat. Gerda en buurman Gerard hebben rolgordijnen opgehangen.

De broers van snackhoek Oranjestein onderhouden „een rechtstreeks lijntje” met de beveiligers die bij hun een patatje pakken. Op zondag 26 juli nog, even voor acht uur ’s avonds, Wim zag rook, hij belde direct. Eén huisje brandde tot de grond toe af. Een moeder met twee kinderen kon ontkomen. Ze zou kaarsen hebben gebrand om geesten uit te drijven. Er was een kaars omgevallen, beaamt Alet Bouwmeester van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). „Maar van voodoo weet ik niks.”

Dan is er nog iets. De komst van de vluchtelingen, schrijft ook bureau Intraval, „brengt verdeeldheid in Oranje”. Er is een tweestrijd, beaamt John de Jong. De ene groep is voor de vluchtelingen, spreekt ze regelmatig en verdient er soms aan, de andere is tegen en houdt zich er verre van. Pogingen van de buurtvereniging de groepen bij elkaar te brengen bijvoorbeeld met het jaarlijkse kanospektakel haalden nog niks uit. De Jong: „De sfeer is af en toe om te snijden.”

Vraag maar aan ondernemer Jan Voortman die als eerste inspeelde op wat hij noemt „het „vluchtelingeneconomietje”. Asielzoekers kwamen drie keer per week voetballen achter zijn kwekerij, hij ontving van het COA 25 euro per keer. Totdat buren klaagden over geluidsoverlast, begonnen over zijn vergunning en de jongens moesten uitwijken naar het veld bij het buurthuis. Maar de vluchtelingen blijven Voortman bezoeken: in zijn winkel, om te vissen in zijn vijver, en voor de aanbiedingen – vandaag vliegers voor 1 euro, ze zijn alle 20 op.

Ik vind de asielzoekers super, zegt Jan Voortman. „En niet alleen om de centen die ze meebrengen. Mijn wereld is groter geworden.” Er gaat geen week voorbij of de hovenier eet in het asielzoekerscentrum. Bij Chinezen, Ethiopiërs, Syriërs. „Man, man, man, wat een ellende hebben sommigen doorstaan. Een man die hier zit met zijn zoontje verloor zijn dochter bij een bombardement en moest toezien hoe zijn vrouw voor zijn ogen werd verkracht en vermoord.”

En hoe zit het met de vergunningen? Voortman: „Ik ben er druk mee. Maar tot dusver gedoogt de gemeente mijn vluchtelingenhandel.” Zoals ook de fietsenverkoop van de overbuurman wordt toegestaan. Drenten zijn baas op eigen erf, is het motto op veel plekken. Voortman: „Maar yoghurt verkoop ik de asielzoekers niet meer. De concurrent had foto’s gemaakt en ik kreeg de Keuringsdienst van Waren achter me aan.”

Klopt, knikken Feije en Angela Dijksterhuis, wij hebben daar melding van gemaakt. Zij hebben een akkerbouwbedrijf en begonnen in juni met een supermarkt in de oude meelloods naast het asielzoekerscentrum. Inclusief koelcel, vrieskisten en detailhandelvergunning. Zij: „Maanden hebben we op de papieren moeten wachten.” Hij: „Terwijl de gemeente de winkel aan de overkant gedoogt.” Zij: „De yoghurt stond daar met dertig graden in de kas.” Hij: „De gemeente meet met twee maten.”

Tuinbonen met koriander

Op dinsdagochtend twaalf uur staat hun super vol met asielzoekers. Het weekgeld is net overgemaakt en de meesten slaan groot in. Een voor een wijzen ze de voorbeeldproducten aan die ze mogen bevoelen, ruiken en proeven. Vier azc-bewoners tolken en halen verkoopbare exemplaren uit het magazijn, van het COA krijgen ze een vergoeding van 15 euro per week.

Een tree met dertig eieren voor een Syrische familie, vijf kilo tomaten, tuinbonen met koriander en scheerschuim. Zijn er nog condooms, vraagt een jongen uit Nigeria. Nee, die zijn uitverkocht. Feije rekent af, Angela is daarmee gestopt. „Ik werd als vrouw niet geaccepteerd door een groep Arabische bewoners. Ze wilden mij geen geld geven als ik bij de kassa stond.”

Dat is niet zoals je het in je winkel hebben wilt, erkent haar man. „We leven hier in Nederland.” Maar je moet er niet te lang bij stilstaan, vindt Angela. „Ik doe nu de administratie, de bestellingen en zoek leveranciers. We gaan binnenkort ook speelgoed verkopen.” Ze moeten vooruit, wil ze maar zeggen, geld verdienen.

Is dat niet een tikje opportunistisch voor een tegenstander? Begin december zat Angela nog bij Jeroen Pauw. Het dorp is verkocht, beet ze er de voormalig staatssecretaris toe. Nu zegt ze: „Met de winkel doen wij er alles aan om Oranje terug te kopen.” Feije: „We houden het asielzoekersgeld in het dorp. Na de lasten is het in Oranje tijd voor de lusten.” Angela: „Laat de gemeente maar doorkomen met een glasvezelkabel en fatsoenlijk internet.” Feije: „Wist je dat de vluchtelingen hier wel altijd wifi hebben?”