Annie Hall

(Woody Allen, 1977). In interviews vertelt Woody Allen graag dat hij te lui en middenklasse is om echte meesterwerken te maken. Als verslaggevers dan tegensputteren en vragen naar Allens erkende meesterwerken als Annie Hall, Manhattan en Hannah and her Sisters herhaalt hij dat dit in zijn optiek geen goede films zijn, vooral omdat het hem niet lukte om te maken wat hij zich tijdens het schrijfproces voorstelde. Zo wilde hij Annie Hall filmen als de stream of consciousness van hoofdpersoon

Alvy Singer, waarbij zijn relatie met Annie (Diane Keaton) slechts één aspect was dat aan bod zou komen. Een deel van die opzet zit nog wel in zijn klassieke komedie, die inderdaad alle kanten opschiet.

Een maker die teleurgesteld is in zijn door anderen bewonderde creaties lijkt koket maar misschien heeft Allen gelijk. Als er één ding is dat Annie Hall niet heeft, is het een overkoepelende vorm zoals een terugblikkende Alvy. Die kritiek nam Allen overigens al op verhulde wijze op in zijn vertelling: een pedante bioscoopbezoeker klaagt over het

gebrek aan structuur in een Fellini-film.

André Waardenburg