Een hand om al je hoofden te dragen

De kindertijd tekent deze nieuwe poëziebundel, geïllustreerd door de dichteres zelf. Een droomdebuut met een volstrekt eigen stem die spreekt over dromen, de Zuid-Hollandse eilanden en Odysseus’ Ithaka.

Je staat in een boekhandel, slaat een onbekende dichtbundel open en vindt onverwacht uitnodigende regels. Dat is dan reden om het boek te kopen, in de hoop op meer en blijvende verrassingen. Het overkwam mij bij de debuutbundel van Ineke Riem, Alle zeeën zijn geduldig. Niet de titel trok me, maar de in nostalgische stippellijnen op een aquariumbodem getekende pathefoon (ouderwetse platenspeler, red.) op het voorplat. Is die omslagtekening een stellingname?

Ik opende de bundel en belandde op pagina 31 bij het gedicht ‘De kamers’. Het eerste couplet daarvan luidt:

Ik kan je niet vertellen hoe mijn huis eruitziet.

Elke dag ontdek ik nieuwe kamers die er gisteren nog niet waren.

Overal staan planten zo groot dat ze het plafond omhoog duwen,

Uit de kerstboom groeien paastakken.

Dat huis wil ik zien, dacht ik. En liefst door de metaforische ogen van Ineke Riem, want rijk aan beelden is ze zeker. Vaak al in de openingsregels, zoals die van het gedicht ‘Hoogtelijnen’. Daarin worden de ramen gewassen, waarschijnlijk met een scheutje spiritus in het sop. Bij Ineke Riem wordt dat: ‘Gekleurde lijnen kronkelen in een emmer zeepsop. / Mijn moeder marmert de ramen ermee.’

De kindertijd is een heersend thema in Alle zeeën zijn geduldig. In een interview omschreef Ineke Riem (1980) haar thema zelf als ‘persoonlijke groei’. Ze bracht haar jeugd door op de Zuid-Hollandse eilanden. Veel beelden zijn aan die jaren ontleend, maar ook dromen waren belangrijk materiaal voor haar poëzie – zoals in ‘Wij waren geheim’ op pagina 12. ‘Ongewild vielen we in bloei,’ stelt de slotregel daarvan. Het verleden klinkt soms ook door in het taalgebruik. Dan gebruikt de dichter zo’n dialectisch woord als ‘bekant’ (bijkans, bijna) of speelt ze met ouderwetse leenwoorden zoals ‘gisant’ (de stenen dode op een grafmonument).

Ineke Riem studeerde Nederlands, en ook die studie trok sporen in haar verzen. In ‘Bericht en antwoord’ leidt dat tot steelse verwijzingen naar de poëzie van onder anderen Lucebert, Hans Andreus, Jan Hanlo en, het nadrukkelijkst, het gedicht ‘Melopee’ van Paul van Ostaijen.

Minder speels is het voorgaande gedicht, ‘Penelope wacht’. Toch is dit misschien wel het sterkste vers uit de bundel. Ineke Riem presenteert daarin een caleidoscopisch beeld van het moment waarop Penelope, de echtgenote van Odysseus, haar man aan het eind van diens omzwervingen na de Trojaanse oorlog op Ithaka zal terugzien. Ze schetst vijf verschillende mogelijkheden. ‘Ze zal hem terugzien aan de achterkant van de zee,’ stelt de beginregel van het eerste vers uit het vijfluik. ‘Ze zal hem terugzien in het Museum voor Goochelkunst,’ stelt het volgende deel. Maar nee, stellen het derde en vierde vers: ‘Ze zal hem terugzien op historische filmbeelden: feloeka’s op de Nijl’ of ‘Ze zal hem terugzien als haar hak vast komt te zitten tussen de kasseien’.

Elk van de versdelen wordt cursief ingeleid door een commentaarstem die, aanvankelijk positief, uiteindelijk betwijfelt of er een weerzien komt. De uitkomst is die van een kinderdroom.

Ze zal hem terugzien,

Ze zal een flessenscheepje vinden op een rommelmarkt.

Hij staat aan dek, heeft haar herkend en zij hem,

de fles rolt uit haar handen, breekt op de stoeptegels.

Een man klopt de eeuwen van zich af.

De bundel is geïllustreerd met pentekeningen van de dichter zelf. Ook de omslagtekening is van haar hand. Het is verleidelijk om parallellen te trekken tussen de beelden van dat Oost-Indische stippelwerk en de metaforen in de gedichten. Voor mij valt iedere vergelijking in het voordeel van de verzen uit. Beide uitingen tonen een tastend karakter, maar er zijn betere tekenaars, terwijl de poëzie volstrekt eigen is. Exemplarisch is het gedicht waarin Ineke Riem niet zelf tekent, maar haar onderwerp dat doet. ‘De handen die je tekenen’ heet het.

Een hand om al je hoofden te dragen.

Hoeveel heb je er vandaag verloren?

Ze slijten snel, als de naalden van een pathefoon.

Handen gaan langer mee –

de frater zonder duim en wijsvinger staat nóg te zwaaien

naar het meisje dat hij leerde schrijven op perkament.

De oude tuinman schoffelt de kleigrond van je herinnering,

zijn knokkels donker als brandplekken van de zon op bramenblad.

Je ziet de handen van je vriendinnen langzaam veranderen

in die van je moeder. Je oma stopt de hare het liefst onder tafel,

Het gedicht is dan halverwege. Er volgen nog elf regels, maar als voorbeeld volstaan deze vier eerste coupletten. Hier wordt uitzonderlijk goed gekeken, en ook de taal blijkt in voortreffelijke handen.

Is er niets aan te merken? Jawel. ‘Zelf Zeus worden’, de slotcyclus met simpel tekenwerk en handgeschreven regels, hoort niet thuis in deze bundel. Toch blijft mijn conclusie onverlet: Alle zeeën zijn geduldig is een droomdebuut.