Andere Aziatische tijgers kunnen zorgen over China wegnemen

De tegenvallende groei in China treft ook Nederlandse bedrijven. Maar hoop kunnen ze putten uit Birma en India.

Distributie van Heineken in Hongkong. De brouwer verkocht afgelopen half jaar voor 1,1 miljard euro bier in Azië, ofwel 9 procent van zijn totale omzet. Vijf jaar geleden was dat amper 1,5 procent. Foto Ruud Taal / ANP

De opluchting was vaak te zien in de ogen van Nederlandse bestuursvoorzitters in de afgelopen crisisjaren: gelukkig hebben we Azië nog! Terwijl in het westen banken omvielen, huizenmarkten instortten en de werkloosheid opliep, konden de topmannen vertellen over investeringen in Chinese fabrieken, het potentieel van de Indonesische markt en mooie kansen daar in het Verre Oosten. Dat hoorden hun aandeelhouders graag.

Hoe belangrijk is Azië voor grote Nederlandse bedrijven geworden? Verf- en chemiebedrijf AkzoNobel behaalde het afgelopen kwartaal 26 procent van de omzet (3,9 miljard euro) in Azië. Vijf jaar geleden was dat 20 procent.

Heineken verkocht afgelopen half jaar voor 1,1 miljard euro bier in Azië, ofwel 9 procent van het totaal. Vijf jaar geleden was dat krap 1,5 procent.

Unilever behaalde in de eerst helft van dit jaar in Azië – inclusief Rusland en het Midden-Oosten – 11,4 miljard euro omzet op een totaal van 27 miljard, ofwel 42 procent. Vijf jaar geleden droeg Azië 39 procent bij aan de totale omzet. De cijfers vertekenen enigszins, aangezien Unilever ook de verkoop in Afrika meetelt.

Juist omdat Azië belangrijker is geworden voor het Nederlandse bedrijfsleven, is de Aziatische groeivertraging zo relevant. De bedrijven zelf houden zich nog op de vlakte na de cijfers over het tweede kwartaal en het afgelopen jaar die ze onlangs naar buiten brachten. Unilever heeft het over „bescheiden groei” in China. AkzoNobel heeft het over „uitdagende omstandigheden” in China, wat beleggersjargon is voor ‘problematisch’.

Autoproductie

Economen en financieel analisten zijn deze week in de greep van de acties van de Chinese Volksbank die de koers van de yuan laat vieren, mogelijk een opmaat tot een valutastrijd om zo de Chinese concurrentiepositie te verbeteren. Maar achter die monetaire schermutselingen gaat schuil dat de Aziatische economie al langer slechter presteert. Neem bijvoorbeeld de verkoopcijfers van nieuwe auto’s.

In een presentatie voor Aziatische investeerders op 3 juni in Singapore ging AkzoNobel ervan uit, dat in China tot 2019 jaarlijks 5,3 procent meer auto’s gemaakt zouden worden. Dat is belangrijk voor het bedrijf aangezien het grote producenten, zoals General Motors en Volkswagen, tot zijn klanten rekent, bijvoorbeeld bij de autolakkenfabriek in Changzhou. Daar investeerde AkzoNobel de afgelopen jaren tientallen miljoenen in uitbreiding van de capaciteit.

Maar opeens worden er een stuk minder auto’s verkocht door de economische vertraging. Chinezen kochten in juli 6,6 procent minder auto’s dan een jaar geleden. Het is de tweede maand op rij dat Chinezen minder auto’s kochten en de afname wordt groter. In juni kochten ze 3,4 procent minder auto’s dan een jaar eerder.

De Duitse fabrikanten Volkswagen en BMW hebben al gezegd dat de zwakke Chinese markt gevolgen zal hebben voor de winst. Dat is jammer, zeggen ze erbij, want dat doet de goede verkoopcijfers in Europa teniet. Een grotere kentering vergeleken met de crisisjaren is nauwelijks mogelijk.

Chinese export

General Motors denkt dat de slechte omstandigheden in China zullen aanhouden. Wat voor China geldt, gaat ook op voor andere delen van Azië. In Indonesië is de verkoop van nieuwe auto’s afgelopen jaar met een kwart gedaald. Dat treft vooral de Japanse Toyota en Honda, die praktisch een monopoliepositie hebben.

Azië is natuurlijk niet alleen een belangrijke afzetmarkt, het is ook een onmisbare plek van productie. De uitvoer van China zit in een stevige dip. In juli voerden Chinese bedrijven 8,3 procent minder uit vergeleken met een jaar eerder. Vooral Europa (min 12 procent) en Japan (min 13) hadden minder behoefte aan, voor de koersval nog dure, Chinese producten.

Dat doet Nederlandse bedrijven ook pijn. In de halfjaarcijfers meldt TNT Express, dat de omzet geraakt is door de „scherpe terugval in Chinese uitvoer”, zonder een bedrag te noemen. Mocht de handel tussen China en Europa verder terugvallen dan lijkt het kwestie van tijd voordat, bijvoorbeeld, de containeroverslag in de haven van Rotterdam of de vrachtvliegtuigen van KLM dit merken.

Birma en India

Ondanks de lagere groei lijkt het vooralsnog ondenkbaar dat Nederlandse bedrijven uitgekeken raken op Azië. Er zijn immers nog genoeg plekken om geld te verdienen.

Heineken opende vorige maand bijvoorbeeld een brouwerij in Birma. Dat land maakt zich, nu de internationale sancties grotendeels zijn opgeheven, op voor een inhaalslag. De Aziatische Ontwikkelingsbank verwacht dat de Birmese economie dit jaar met 8,3 procent groeit. De Birmese regering hoopt zelf op 9,3 procent groei – cijfers waar Chinese autoriteiten nu alleen nog maar van kunnen dromen.

Verder is er voorzichtige hoop dat India, dat andere land met meer dan een miljard inwoners en waar Unilever een grote positie heeft, zijn economie hervormt en stevig zal groeien.

Het lijkt zelfs voorbarig om de trager groeiende economieën van landen als China, Indonesië, Singapore en Maleisië af te schrijven. Een groei van 3 tot 5 procent is niet de stormachtige ontwikkeling van de voorbije jaren. Maar het blijft een groeitempo dat beduidend hoger ligt dan in Europa.