‘Als God leeft, is alles toegestaan’

Ondanks zijn ongeloof was Maxim Februari bezig een loflied te schrijven op de ernst en eigenzinnigheid van de protestante mens.

Foto Thinkstock, bewerking nrc.next

Een jonge vriend van me klaagt dat hij op straat regelmatig wordt lastiggevallen door gereformeerden in een regenjas die willen praten over het evangelie. „Dat zijn geen gereformeerden, nitwit”, zeg ik dan. „Gereformeerden lopen niet op straat te evangeliseren in een regenjas.” Maar van die feitelijke correctie trekt mijn jonge vriend zich niets aan. Sterker nog, hij laat me weten dat ik zeur. „Whatever”, zegt hij verveeld. „Het zal wel.”

Omdat ik een frisse persoonlijkheid heb, en omdat ik niets van mijn jeugdige nieuwsgierigheid heb verloren, spreek ik veel mensen die jonger zijn dan ikzelf. Daardoor komt het dat ik zo leuk bij de tijd ben gebleven. Er is alleen één klein nadeel aan deze omgang met de jeugd, en dat is dat jongeren werkelijk van toeten noch blazen weten.

Nu zou ik hun jeugdige stompzinnigheid nog wel weten weg te strepen tegen het voordeel van hun ongereptheid, maar toch – er zijn grenzen. En voor mij is zo’n grens bereikt als ze mormonen gaan verwarren met gereformeerden.

Deze zomer had ik mezelf daarom als taak gesteld de Reformatie in al haar intellectuele rijkdom te bestuderen en vervolgens zo op te poetsen dat zelfs mijn jonge vriend onder de indruk zou raken. Er zit vanouds immers iets heel jeugdigs in de protestante traditie. Een soort van rebellie tegen de gevestigde orde, een opdracht aan de mens om zelf positie te kiezen. De bereidheid diep in eigen vlees te snijden, moet de ongerepten onder ons toch beslist aanspreken.

Eerder deze zomer had ik in dit kader al een uitspraak gelezen van een hervormd dogmaticus. Over Deuteronomium 7 vers 2, waar God zijn volk opdracht geeft alle anderen in Kanaän te vermoorden. „U mag geen vredesverdrag met hen sluiten en hen niet sparen.”

De theoloog merkte in het Nederlands Dagblad op dat dit tekstwoord erg onaardig overkomt. „Als dat hertaald werd als ISIS-document zou iedereen het herkennen als de bekende propaganda die zij rondzaaien op het internet.”

Blij met het protestantisme

Mij beviel het wel, zo’n zelfkritische houding. Je kunt je op een bijbelse traditie beroepen als moreel richtsnoer, maar dat overtuigt niet als je er geen bedenkingen bij hebt en er geen beredeneerd standpunt tegenover inneemt. Daarom was ik blij dat protestantse theologen ongemakkelijk werden van hun eigen bloeddorstige geschiedenis. Ik zal het u nog sterker vertellen. Zo’n kritische blik op de eigen beginselen mis ik steevast bij anderen. En omdat – Piketty ten spijt – de vermoeide stromingen van het liberalisme en het socialisme inmiddels weinig meer hebben te bieden dan applaus voor zichzelf, heb ik bij de afgelopen verkiezingen gestemd op de ChristenUnie.

„Maar dat ga je niet in de krant zetten, hoor, idioot”, zei een zestigjarige vriendin deze zomer tegen me op een terras. „Nee, dat ga ik niet in de krant zetten”, zei ik. „Dan krijg je een heel merkwaardige reputatie”, zei ze.

Whatever. Ondanks mijn heilige ongeloof, waarop ik zo trots ben, was ik dus bezig een loflied te schrijven op de ernst en eigenzinnigheid van de protestante mens. Ik had het hele stuk al in de steigers staan toen de krant een interview bracht (25 juli) met de onvolprezen terrorismehoogleraar Beatrice de Graaf, die weliswaar verdacht jong, maar toch ook heel verstandig en heel geleerd is. Ze sprak zich uit voor het christelijk geloof en de ChristenUnie en ze kwam met precies de verkeerde argumenten.

De anti-religieuze tendens in de samenleving, zei De Graaf, is zichtbaar in de discussie over kosjer en halal slachten. „Dat dat tegen de dierenrechten is.” Botsing van rechten is onvermijdelijk, vervolgde ze, maar helaas legt de godsdienstvrijheid het altijd af tegen andere rechten. Met andere woorden, je beknot de vrijheid van godsdienst als je bezwaar maakt tegen de praktijk van het slachten.

Het was alsof je bezwaar maakte tegen het vermoorden van alle volkeren Kanaäns en te horen kreeg dat je daarmee uiting gaf aan een anti-religieuze tendens in de samenleving. Alsof godsdienst en morele overwegingen onverenigbaar zijn. ‘Als God leeft, is alles toegestaan.’ Het was, als je erover nadacht, een tamelijk blasfemische gedachte. Zo eentje die je verwacht van IS en de conservatieven in Amerika, maar niet van de Nederlandse protestanten.

En het ergste was nog wel dat mijn jonge vriend nu gelijk dreigt te krijgen. Ik had die ongecultiveerde heiden zo graag eens tegengesproken. Hem een denktraditie voorgeschoteld waarin je argumenten niet afstemt op het kamp dat je hebt gekozen, maar het kamp afstemt op de argumenten. Helaas. De zomer gaf de religie geen serieuzer gezicht en ik moest machteloos aanhoren hoe hij zijn gereformeerde evangelisten op straat beschreef. „Plakkerig haar, strak naar achteren gekamd.” „Ja, jongen”, zei ik.