We hebben onze messen getrokken en ze zijn afgedropen

De groep vluchtelingen wil de Servische grens over, maar wordt de verkeerde kant opgestuurd: richting de Albanese maffia. Onze correspondent reist mee, dit is deel 7 van zijn serie.

Om vijf uur ’s ochtends heeft de Macedonische politie voor de hele groep de papieren afgeleverd die nodig zijn om het land te mogen doorkruisen. De bus naar de grens met Servië – vanuit Gevgelija, het eerste stadje in Macedonië – kan vertrekken. Terwijl we door het groene Macedonische landschap rijden, lijkt het even of we met vakantie zijn.

Daar komt een abrupt einde aan wanneer de bus stopt onder een viaduct. We zijn vlak bij de officiële grensovergang met Servië en de buschauffeur kan niet snel genoeg wegkomen.

Daar staan we dan. En ook: daar staat Maggie met haar loodzware koffertje op wieltjes.

Maggie is een Libanese met Canadees paspoort, die in Halifax woont. Vorig jaar leerde ze op internet Samer kennen: een Syrische dokter, die toen in het Turkse Urfa met vluchtelingen werkte. Ze werden verliefd, hoewel Maggie nog in een echtscheidingsprocedure zit met haar man, met wie ze vier kinderen heeft.

Samer en zijn drie kinderen hebben zich in Chios bij de groep aangesloten. Zij zaten in het tweede rubberbootje, dat samen met onze groep de oversteek vanuit Turkije heeft gemaakt. Maggie is in Athene opgedoken. Zij wilde uit solidariteit het traject afleggen met Samer en zijn drie kinderen.

Alleen: Maggie heeft heel veel bagage meegebracht. In Athene zijn al twee gigantische koffers verstuurd naar Duitsland. Samer heeft de resterende rolkoffer gisteren over het spoor naar Macedonië gesleurd. Vandaag besluit Maggie wijselijk om de grens officieel over te steken.

We beginnen te lopen richting de informele grensovergang. Door kleine dorpjes, waar oude vrouwen de koeien naar de wei brengen. De mensen zeggen allemaal vriendelijk gedag. De fotograaf en ik verlaten de groep wanneer de Servische grens in zicht komt, om de officiële grensovergang te nemen.

De groep is uitgeput

Veel eerder dan de rest arriveren we in Presevo, het eerste stadje in Servië. We vallen midden in het bezoek van de Servische premier Vucic. Hij komt het nieuwe one stop-centrum bezoeken, waar vluchtelingen geregistreerd worden. Zij krijgen hier, net zoals in Macedonië, een papier waarmee zij drie dagen de tijd krijgen om asiel aan te vragen in Servië – wat niemand doet – of het land te verlaten.

Wanneer onze groep tegen de avond eindelijk aankomt in Presevo, blijkt dat ze verkeerd zijn gelopen. Hemelsbreed is het tien kilometer van de grens: twee of drie uur lopen. Maar de groep heeft er bijna de hele dag over gedaan en is uitgeput.

De Servische politie aan de grens had hen richting Lojane gestuurd. Wacht daar in groepjes van vijf, tot tien uur ’s avonds, hadden ze gezegd. Dan komen we jullie ophalen en bezorgen we jullie meteen de Servische papieren.

Maar Lojane is een Macedonisch grensdorp dat berucht is om zijn Albanese maffia. Die hebben in het verleden vluchtelingen gekidnapt voor losgeld. Vermoedelijk werkten de Servische politieagenten samen met de maffia. Dhayf, een jonge Irakees uit een andere groep, is op dezelfde manier in Lojane beland. „Ze stonden ons op te wachten. Maar onze groep bestaat vooral uit jongemannen. We hebben onze messen getrokken en ze zijn afgedropen.”

Gelukkig heeft een Macedonische boer onze groep gewaarschuwd voor ze Lojane bereikten. Maar er is veel tijd verloren gegaan.

Voor even VIP-vluchtelingen

Tegen de tijd dat de groep in Presevo aankomt, is het opvangcentrum gesloten. Wie binnen is, krijgt eten, verzorging en tenten om in te slapen. De rest staat opnieuw een nacht op straat te wachten: zonder papier geen hotel.

Maar dan bieden de Servische Natalija Stojmenovic (16) en haar vader Nebojsa uitkomst. Ze hebben een bus en willen zakendoen, maar Natalija is ook oprecht aangegrepen door de humanitaire tragedie. Nebojsa belt een hotel op waar hij iemand kent. Er is plek en het mag zonder papieren. Vannacht zijn het even VIP-vluchtelingen.