Voor mij is ‘Das Rheingold’ revolutiekunst

Regisseur Johan Simons begint dit jaar aan zijn driejarig intendantschap van de Ruhrtriennale. Meer diversiteit wil hij brengen. Zelf regisseert hij muziektheater met Bach en Wagners opera ‘Das Rheingold’.

Johan Simons: „Theater is de kunst van de goede momenten. Elke voorstelling moet een première lijken.”

Een grote, nu nog open put ligt naast de Jahrhunderthalle in het Duitse Bochum, middenin het Ruhrgebied. Voor de hoofdingang – drassig op een sombere julidag – wordt Joep van Lieshouts utopische kunstdorp The Good, The Bad and The Ugly (1998) opgebouwd, de contouren zijn al zichtbaar.

Hier komt half september ook het premièrepubliek aan voor Wagners opera Das Rheingold. De setting zal onorthodox en desoriënterend zijn, wars van rode lopers, fluweel en conventie. Het tekent de hand van de nieuwe intendant Johan Simons, als regisseur beroemd geworden met het rauwe locatietheater van Theatergroep Hollandia en nu net terug uit München, waar hij een internationale toppositie als directeur van de Kammerspiele (2010-2015) vaarwel zegde uit heimwee naar Nederland, vrouw en gezin.

In de repetitieloods naast de Jahrhunderthalle (aan industriële reuzenhallen geen gebrek in het Ruhrgebied) is het Walhalla nagebouwd van ijzeren steigerpijpen. De zangers – goden en reuzen – zitten er lamgeslagen bij. Er wordt gewerkt aan de vierde scène, waarin het losgeld voor Freia wordt bepaald. Freia gaat gebukt onder het gewicht van het goud waarmee ze wordt behangen. Zwarte colliers zijn het, want dit is het land van het zwarte goud: een steenkolenstreek.

Voor zijn instructies aan de zangers stampt Simons – voetbalshorts en wapperende houthakkersblouse – voortdurend de tientallen meters fabriekshal heen en weer, van de regisseurstafel naar het podium en weer terug. „Ihr seid alle total depressif!”, scandeert hij, laat een door de hal kaatsende boer en lacht daar dan net zo galmend om. „We moeten er natuurlijk wel voor zorgen dat het allemaal niet té wagneriaans wordt.”

Straks is het speelveld nog groter dan hier: in de Jahrhunderthalle is het toneel zo’n 24 meter diep en 35 meter breed. In het midden doen drie waterbassins dienst als de Rijn. Aan de ene oever zit het publiek. Aan de andere het orkest. Daarachter: een replica van de neoklassieke Villa Hügel van de staalfamilie Krupp voor een glaswand op het westen, waar met een beetje mazzel tijdens voorstellingen de ondergaande zon doorheen schijnt. Rechts hangt een moodboard met historische portretten uit het boek Menschen des 20sten Jahrhunderts van August Sander. ‘Wotan’ staat er op een bordje, met een pijl naar een jongeling in een ruimvallend, interbellumsjiek kostuum. Zo is elk personage gekoppeld aan een voorbeeldfoto.

Voor morgen staat precies dezelfde scène op het repetitierooster. En overmorgen, als nodig, óók. Dit is Simons’ zesde operaproductie en als hij iets geleerd heeft, is het geen haast te maken, zegt hij. „De eerste keren wilde ik eerst het geheel doorspelen, de details werkten we later wel uit. Dat werkte totaal niet. Ik sleutel nu net zo lang door tot ik precies heb wat ik wil, totdat het perfect is.”

De repetitieperiode van zes weken is navenant lang. „En ja”, erkent Simons, „ik denk dat ik de zangers in het proces behoorlijk onzeker maak. Maar dat is juist goed. Opera is te veel een genre van herhaling. Veel zangers zingen zo’n rol voor de honderdste keer en het publiek is vaak ook erg ingewijd. Dat ijkt elke uitvoering aan die ene keer die ‘echt goed’ was. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Theater is de kunst van de goede momenten. Elke voorstelling moet een première lijken.”

Steenkolenhal

Simons wil de Rurhtriennale na de vorige intendant, Heiner Goebbels, breder opzetten, verhalen vertellen die iedereen raken. De Duitse kranten schrijven minder omwonden: toegankelijker maken. Er zal techno klinken. Genres die een ander publiek kunnen trekken. Voor de openingsvoorstelling Accattone is daarom ook een nieuwe locatie gezocht en gevonden, een voormalige steenkolenhal bij de grensstreekstad Dinslaken, die op dit moment gerestaureerd wordt.

„Eén stadsdeel in Dinslaken, Lohberg, is een echte probleemwijk”, zegt Simons. „Er zijn zestien tieners die er vandaan komen en nu strijden voor IS in Syrië. Ik had een goed gesprek met de locoburgemeester, van Turkse origine. Hij zei dat integratie is misgelopen omdat we zijn vergeten immigranten aan de hand te nemen naar het centrum. Letterlijk – want ze wonen veelal in buitenwijken – én figuurlijk, omdat we ze ook mee moeten nemen naar het hart van onze cultuur.”

Gaat dat met de openingsvoorstelling Accattone – naar de eerste film van Pier Paolo Pasolini en met muziek van Bach – wel lukken? „Natuurlijk niet”, pareert Simons. „Maar je moet wát proberen. We hebben een barbecue georganiseerd in die buurt en we laten de kinderen een voorstelling bijwonen. Druppels op een gloeiende plaat, maar het gaat erom dat je je best blijft doen.”

Niet voor niets heeft Simons’ eerste festival ‘Seid umschlungen’ als thema. Wees omhelsd; een citaat uit Schillers Ode an die Freude, ook onsterfelijk geworden als het slotkoor uit Beethovens Negende symfonie. „Het drukt warmte uit, maar ook beklemming”, zegt Simons. „Dat is ook passend bij dit gebied, waar arbeiders hebben geleden in de mijnen en na het sluiten daarvan veel werkloosheid is overgebleven.”

Muziektheater kan juist in het communiceren van die thematiek goed werk doen, denkt Simons. „Muziek kan iets waar theater veel minder goed in is: grote gevoelens oproepen. Muziek zweeft tussen hemel en aarde. Zeker de muziek van Bach. Het bijzondere is: iedereen ervaart bij muziek iets anders, iets eigens. Daar zijn woorden veel minder sterk in.”

Ook Wagner heeft die vervoerende kracht, vindt Simons. „Maar als je me vraagt te kiezen tussen Bach en Wagner kies ik natuurlijk Bach. Die muziek is me sinds mijn jeugd zo ontzettend dierbaar. Aan Wagner moest ik wennen. Soms is het me nog steeds té pathetisch. Maar ik hoor wel dat het grootse kunst is. Bovendien denk ik dat zo’n haat-liefderelatie tussen regisseur en werk juist goed en productief is. Anders krijg je iets eendimensionaals. Wagnerslijm.”

Daar komt bij dat zijn reserves vergeefs zijn, erkent hij. „Wagners bedwelmende kracht is onontkoombaar. Al neem je je nog zo voor je beide benen op de grond te houden, je wordt door die muziek meegevoerd.” Eens te meer reden Wagner op locatie uit te voeren, vindt hij, met een armgebaar naar de fabriekshal: de kale muren, het baksteen. „Een setting als deze herinnert tenminste aan de werkelijkheid. Ik vind echte locaties altijd honderd keer zo mooi als echte theaters.”

Een van de redenen dat hij voor Das Rhein-gold koos, zegt Simons, was de relatie met het onderwerp industrialisatie en de Rijn. „Die opera is voor dit gebied geschreven. Natuurlijk is de thematiek multi-interpretabel, maar voor mij is Das Rheingold revolutiekunst; een opera die gaat over kapitalisme, uitbuiting en exploitatie. Kortom: alles wat zich hier heeft afgespeeld. De tijd van de mijnwerkers is verleden tijd, maar de werkloosheid die uit het sluiten van de mijnen voortkwam, is hier nog heel actueel. En uitbuiting en exploitatie zijn ook bepaald geen verleden tijd. Denk aan Griekenland, de vluchtelingen die verdrinken in de Middellandse Zee en wij die met z’n allen te bedonderd zijn er echt wat aan te doen. Nee, dit is bij uitstek een verhaal dat nú verteld moet worden.”