Opgewekte poëzie is automatisch verdacht

Hoe lees je een gedicht? Ellen Deckwitz geeft iedere donderdag een cursus in nrc.next. Vandaag: humor en zwarte randjes.

Illustratie Jenna Arts Illustratie Jenna Arts

Vertel mensen dat je graag gedichten leest en ze vragen meteen of je dan ook aan de prozac zit. Hoe je het ook wendt of keert, de poëzie heeft een wat duister imago: in films draagt de dichter doorgaans die zwarte coltrui en staat hij regelmatig op het punt om zichzelf uit ellende te onthoofden. Hoe komt de dichtkunst aan deze donkere reputatie? Misschien omdat er in gedichten gevoelens aan bod komen die zo intiem zijn dat je ze niet eens met je geliefden zou bespreken (en zij niet met jou), zoals haat, obsessief liefdesverdriet en zelfmoordgedachten. Je gaat dan met het gedicht een gesprek aan, dat je niet met iemand anders zou kunnen hebben zonder te worden opgesloten.

Maar is de moderne Nederlandse poëzie echt een tranendal? Op het eerste oog niet. Neem nou de light verse: gedichten waarin taalspel en humor centraal staan. We denken hierbij natuurlijk meteen aan Drs. P., de poëzie van Cornelis Vaandrager (‘Als de Chinezen niet zo goed konden kezen / zouden er niet zoveel Chinezen wezen’), de dierengedichten van Kees Stip (‘er zijn hier heel wat maden bij / die made zijn in Germanij’) en John O’Mill, die op weergaloze wijze Engels en Nederlands met elkaar mixte: ‘a terrible infant, called Peter,/ sprinkled his bed with a gheter./ His father got woost, /got hold of a cnoost, / and gave him a pack on his meter.’ De Nederlandse dichtkunst zit tjokvol heerlijke nonsenspoëzie, zoals ‘De blauwbilgorgel’ van C. Buddingh’ (‘Mijn vader was een porgel,/Mijn moeder was een porulan,/Daar komen vreemde kind’ren van!’).

Maar ook de light verse heeft doorns. Ja, de lach staat centraal, maar het is een lach met een randje. De kroketten in het restaurant blijven aan de kleine kant en het gedicht ‘Dodenrit naar Omsk’ van Drs. P maakt ondanks alle vrolijke terzijdes zijn naam meer dan waar.

In light verse draait het vaker om leedvermaak dan om onschuldig jolijt. Iets vrolijks wordt ingezet om het wrange nóg iets wranger te maken, een trucje dat de Vlaamse dichter Herman de Coninck een vorm van onrechtstreekse belichting noemde. Net als je denkt dat het een opgewekt, blij vers betreft, haalt de dichter een hendel over en klapt de grond onder je voeten weg.

Dat neemt niet weg dat dit mechaniek fantastisch werkt, en Nederlandse dichters maken er gretig gebruik van, zoals Kira Wuck (‘bij de HEMA kan je je hele leven terecht:/ van rompertje tot doorlekzeil’), of Ramsey Nasr, die in het gedicht ‘mi have een droom’ toont hoe de Nederlandse taal over een jaar of veertig zal klinken: ‘aber/ alle josti op een stokki, uptodate, wats deze shit?’ Je weet niet of je erom moet lachen of huilen, een balans die de Vlaamse dichteres Delphine Lecompte als geen ander beheerst: ‘kijk daar loopt mijn vriend / hij is weer eens blij / hij struikelt over de verpakking van de heggenschaar’. Ik kan eigenlijk geen enkele Nederlandse dichter opnoemen die geen enkele vleug humor in zijn poëzie heeft zitten, maar er zijn weinigen die deze humor niet inzetten om de zwaarte nog iets harder te laten aankomen.

Is er dan geen sprankje onschuldige vrolijkheid in de Nederlandsche verskunst te ontdekken? Moet op de grap altijd de hamerslag volgen? Kijk, je zou natuurlijk kunnen zeggen dat de Nederlandse poëzie juist uitermate hoopvol is. Na het lezen van de meeste gedichten denk ik toch vaak van: zo hee, zo erg is het bij mij gelukkig nog lang niet. Maar het is wel even zoeken naar gedichten die zonder schaduw zijn. Opgewekte poëzie is automatisch verdacht: dan krijg je al snel het gevoel dat je wordt betutteld, zo van eert het kleine, je hebt tenminste je andere arm nog en ga zo maar door.

Toch zijn er voorbeelden te vinden. Ik denk dan aan het werk van Jules Deelder, dat een soort verwondering en vrolijkheid bevat dat ruimschoots de kleur van zijn garderobe compenseert: ‘Als ik mijn ogen toedoe / ben ik in Honoloeloe’. En bij het werk van Helene Gelens treden spel, muzikaliteit en een soort levensdrift regelmatig op de voorgrond: ‘vlam in mij, jaaa, laai op! / hart in mij, oefen geduld / verdriedubbel vertrouwen / vogel in mij, hup, wiek op / uit vruchtdragende takken!’

Een van de mooiste gedichten zonder zwarte rand is ‘De lege landen’ van Alexis de Roode (1979), uit zijn debuutbundel Geef mij een wonder. Hierin staat de humor op zichzelf en wordt ze nergens ingezet om de boel te verzwaren; ‘geef mij a.u.b. een wonder… er hoeft heus geen engel bij / of donderstem’. Misschien is het de prozac, maar ik vind dat ontzettend grappig. Uit de regels spreekt een wanhoop die desalniettemin licht blijft, die voort lijkt te komen uit een volwassen soort verwondering. In de gedichten van De Roode zit een nieuwsgierigheid tegen beter weten in.

Misschien zegt de titel van dit gedicht ook iets over de Nederlandse poëzie. Sommige antropologen zijn de mening toegedaan dat er in landen zonder bergen veel minder verbeelding en vrolijkheid is dan in landen met een paar fikse rotspartijen. Op wat bergiger plekken, zoals Noorwegen, IJsland en Zwitserland, gelooft men in elfjes en trollen. Daar moet je in ons land niet mee aankomen. En toch worden er gedichten als die van De Roode geschreven, en vormen zij een klein krasje in het diamant van de feiten. Misschien zijn zulke gedichten wel het bewijs dat er een wonder mogelijk is, zelfs in een land als het onze, waar de lucht zo laag hangt dat we tegen beter weten in soms zo hard lachen, dat menig wonder ons ontglipt.