Column

Nu eens geen gebroken botten

Deze keer was mijn moeder bij mij in de tuin gevallen, zondag na het eten. Ik was in de keuken en ik zag het gebeuren. Bof. We trokken haar met vereende krachten overeind en even later leek ze het hele geval te zijn vergeten. Maar de dagen daarna klaagde ze over pijn in haar botten, haar billen werden blauw. Vrijdags belde de dokter van het verpleeghuis me op mijn werk. „Toch maar even een foto laten maken?” Daarna zei ze wat ik dacht: „Wat doen we als ze haar heup gebroken heeft?”

Dan mag ik het zeggen, want ik ben mijn moeders mentor. Behalve als ik de verkeerde mening heb, dan mag de dokter het zeggen. Problemen verwacht ik er niet van, we hebben al vaak genoeg besproken dat mijn moeder in principe geen behandelingen meer ondergaat. Maar ja, maar ja. Geen antibiotica als ze weer eens een blaas- of longontsteking heeft? Dat wordt pijn lijden. Krijgt ze het benauwd. Moet ze aan de morfine. Raakt ze nog meer in de war. Gaat ze misschien wel dood. Wat wil zij?

De euthanasiepapieren zijn al jaren kwijt, haar depressies is ze vergeten, en als ik vraag of ze het nog leuk vindt om te leven, zegt ze: „Ja, natuurlijk.” Wat vindt ze dan zo leuk? „Nou, gewoon. Dat ik er nog ben.”

Ze zit al klaar als ik haar kom halen om naar het ziekenhuis te gaan, en mijn vader zit naast haar, zijn opvouwbare reisscootmobiel is ingeklapt. „Ha!”, roept hij. „Gezellig! Ik ga mee!” Hij kan niet meer lopen en is bijna blind, maar dat kan hem niks schelen.

„Je kunt me daar gewoon afleveren, hoor”, zegt mijn moeder tegen mij. „Je hoeft niet bij me te blijven.”

„Weet u waar u moet zijn dan?”

„Dat vraag ik daar wel.”

„En waar komt u dan voor?”

„Dat weten zij ook.”

„Renske nou toch”, zegt mijn vader. „Denk even na. Je bent gevallen. Je hebt je heup misschien wel gebroken.”

„O ja?”, zegt mijn moeder. „Daar weet ik niks van.”

Ze weet ook niet meer dat ze een paar maanden geleden in hetzelfde ziekenhuis was. Toen bleek ze een rijtje ribben te hebben gebroken, na twee dagen onderzoek. Was verder niets aan te doen, we hoefden geen moeilijke beslissingen te nemen.

„Ik ben Renske Brak”, zegt mijn moeder tegen het meisje achter de balie. „Ik heb een afspraak.” Ze kijkt naar mijn vader. „Zie je nou wel, ze weten hier alles.”

Tien minuten later zijn de foto’s gemaakt, we wachten in de gang op de uitslag. „Ik zei nog zo tegen je dat je niet moest gaan lopen”, zegt mijn vader. „En je deed het toch.”

„O ja?”, zegt mijn moeder. „Mag ik niet lopen dan?”

„Niet als ik zeg dat je moet blijven zitten. Je bent gevallen door het feit dat je niet naar me wilde luisteren.”

„Nou”, zegt mijn moeder. „Dat is dan jammer.”

Geen gebroken botten deze keer, weer geen moeilijke beslissingen, op naar de volgende ronde. Maar nu eerst koffie, en een ijsje. In de hal van het ziekenhuis komen we een man tegen met een rood bord om zijn nek, met daarop in grote letters: S.V.P. NIET AANSPREKEN.

„Die is gek”, zegt mijn moeder.